Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
420 WATEREN VAN RUSLAND. § 63.
is eene reeks hoogten, met meren en moerassen bedekt, loopt van.
den midden-Oeral (het brongebied van de Petschora) tot aan de
Oostzee, en vormt in zijne oostelijke helft de waterscheiding tus-
schen de Kaspische en de Noordelijke IJszee, terwijl hij in de westelij-
ke helft, even als de zuidelijke landrug, door stroomdalen gebroken
wordt. Zijne grootste hoo^e (1000' volstrekte, 300' betrekkelijke
hoogte) is het zoogenaamde Wolchonskiwoud of het Waldaï-plateau,
het bronnenland van de Wolga, den Dnieper en de Duna.
De Zuid-Russische of Oeralisch-Karpathische landrug,
die den noordoostelijken voet der Karpathen met den zuidelijken
Oeral verbindt, maakt de grensscheiding tusschen het Europesche
en Kaspische laagland uit; nadat de Wolga er door gebroken is, vormt
hij in zijne middenste deelen eene breede, maar lage steppenvlakte
(de Zuid-Russische), welke door de groote rivieren van Zuid-Rus-
land met schietstroomen en watervallen gebroken wordt.
De beide landruggen deelen het Sarmatische laagland in drie
vlakten: eene arktische, eene middenste en het kustland van den
Pontus, welk laatste de natuurlijke weg was voor de trekkende
volkereu uit de Kaspische laagten naar het laagland van den Donau.
De meervlakte van Finland bestaat voor een groot ge-
deelte uit losse, verbrokkelde stukken graniet, welker tusschen-
ruimte wordt ingenomen door moerassen en vele honderden meren
vol klippen.
Wateren.
De groote rijkdom aan water, waardoor de Oost-Europesche
laagvlakte zich van andere, b. v. de Afrikaansche, onderscheidt,
ofschoon de rivieren niet op een Alpenland en zijne gletschers, maar
ten deele op de matige hoogten van den Oeral, ten deele op den
noordelijken landrug ontspringen, ontstaat zoo wel door den ster-
ken neerslag uit den dampkring (regen en sneeuw) aan de westzij-
de van den Oeral, die de uit den Atlantischen oceaan opstijgende
wolken tegenhoudt, en ze dwingt zich in de Sarmatische vlakte
te ontladen, als door den buitengewonen rijkdom aan bronnen in
den uit vele op elkander gehoopte lagen bestaanden grond, die
daardoor de korenschuur van Europa kon worden.
Niet minder dan tien aanzienlijke stroomstelsels met
ontelbare aderen eu meestal onaanzienlijk verval, allen in hunnen
geheelen loop tot Rusland behoorende (uitgezonderd de boven-
en benedenloop van den Weichsel en den Niemen), doorsnijden