Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
HORFZOXT. EN VERT. VORM VAN DÜITSCHLAN0. § 60. 373
staten, waarvan de grootere of kleinere landmassa buiten Duitseh-
land ligt; zoo heeft Pruisen het grootste deel van zijn gebied ,
Oostenrijk het kleinste, Denemarken en Nederland maar enkele
provinciën binnen den Duitschen bond. Niet minder dan 23
Duitsche staten hebben een vlakte-inhoud van niet eens 100 Q
m. (onder dezen 19 minder dan 50, 8 minder dan 10), en de
verdeeling wordt nog aanzienlijk grooter, omdat vele staten uit
verschillende van elkander gescheiden massa's bestaan.
Deze staatkundige verbrokkeling, die vóór de ontbinding van het
Duitsche rijk (1806) nog oneindig grooter was (in de 17de eeuw
300 rijksstenden), en (even als in Zwitserland) zoowel op de ge-
schiedenis als op de groote verscheidenheid in de vorming van den
grond berust, loopt het meestin t oog in zuidwestelijk, Middcn-
(waar zelfs de kleine staten uit verschillende geseheiden stukken
bestaan) en Noord-Duitschland," terwijl het oosten van Duitsehland
tusschen de beide grootste staten verdeeld is.
De horizontale vorm van dit land heeft veel overeen-
komst met een vierhoek; de grootste uitgestrektheid van 't noor-
den naar 't zuiden (150 m.) is bijna gelijk aan die van 't wes-
ten naar 't oosten (140 m.). Zoowel met betrekking tot de
grootte als geleding staat het in het midden tusschen het mas-
savormige Oost-Europa en het sterk gelede West- en -Zuid-Eu-
ropa. Want de schiereilandvorming en dus ook de kustontwik-
keling (1 m. op 72 Q m.) zijn van weinig beteekenis, even
zoo de eilandvorming (behalve de twee, door de uitwatering
van de Oder gevormde Usedom en Wollin, is alleen Eugen
de vermelding waard). Duitsehland is een kontinentaal
land, waarvan de zeegrenzen slechts van den omvang be-
dragen en bovendien hoofdzakelijk (y^) tot binnenzeeën behoo-
ren ; zelfs de Noordzee heeft nog veel van het karakter eener
binnenzee.
Vertikale vorm.
Terwijl in alle andere Europesche landen eene bepaalde vorm
in de gedaante der oppervlakte de overhand heeft (het laagland
in Eusland, Frankrijk, Nederland, het hoogland in Spanje,
het heuvelland in Groot-Brittanje, het bergland in het Griek-