Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
354 RIVIEREN, KLIMAAT EN PLANTENGROEI. BEVOLKING. § 59.
Rivieren, zie bl. 803; wateren: '
De Zuiderzee, die zich als een bekken der Noordzee van het
noorden naar 't zuiden uitstrekt en op hare 54 □ m. groote uitge-
strektheid veel ondiepten en verzandingen heeft, zoodat zij gevaar-
lijk is zonder goede loodsen; de Lauwerzee; de Dollart, in
de 13de eeuw ontstaan, wordt langzamerhand kleiner door indijkin-
gen; het IJ, eene bogt van de Zuiderzee, zal door een tweede ka-
naal gemeensehap krijgen met de Noordzee; de Biesbosch, tus-
schen Geertruidenberg en Dordrecht, in de 15de eeuw door over-
strooming ontstaan, heeft thans moerassige eilanden, die veel biezen
en riet opleveren. Meren en plassen treft men veel aan, vooral in
Friesland en Zuid-Holland.
Klimaat en plantengroei.
Door de menigvuldige aanraking met de zee, de vele rivieren,
kanalen en vaarten is de luchtsgesteldheid zeer veranderlijk, nogtans
niet ongezond; de hoogere streken worden zelfs voor gezond gehou-
den; toch is het reeds veel kouder dan in het zoo naburige België,
waar (ofschoon de bodem bij ons, uit hoofde der wijze van ontstaan,
uitmuntend geschikt is voor landbouw en veeteelt) de plantengroei
veel rijker is dan bij ons. De tuin- en akkerbouw brengt in België
nog eene menigte boomen en gewassen voort, die het klimaat in
Nederland niet meer verdragen kunnen; echter tieren alle graan-
soorten welig, boomvruchten kunnen zelfs nog in groote hoeveelheid
uitgevoerd worden. Maar al is de natuur in sommige opzigten karig,
de werkzaamheid der bewoners wordt des te grooter; zelfs de minder
vruchtbare hoogten zullen welligt niet lang meer ongebruikt blij-
ven liggen, maar langzamerhand dienstbaar gemaakt worden aan
het onderhoud van den mensch.
Bevolking.
Al overtreft Nederland zijn zuidelijken nabuur in oppervlakte,
het moet voor hem onderdoen in absolute bevolking (3% mill.)
en bij gevolg nog meer in relatieve (5746 op 1 Q m.); toch
behoort het nog altijd tot de digtst bewoonde landen van Eu-
ropa , terwijl een vijfde van den grond niet bebouwd is en daar-
voor ook minder geschikt schijnt.
Bij de vergelijking der digtheid van bevolking in dc onderscheidene
provinciën ontwaart men een in 't oog loopend verschil tusschen de wes-
telijke en de oostelijke, terwijl de noordelijke en de zuidelijke tame-
lijk wel overeen komen; zoo heeft Noord-Holland, als de digtst bevolkte