Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VEETIKALE VOEM VAN NEDERLAND. § 59. 353
zwolgenland: Wieringen, Mar k en, Ür k en Schokla n d.
Vertikale vorm.
Dit laagste, westelijke gedeelte van de Neder-Eijnsche laag-
vlakte, die een deel uitmaakt van de groote Germaansche vlakte,
welke op hare beurt weder in 't oosten verwant is met de
Poolsche en Eussisehe steppen, wordt aan de westzijde tegen
de zee beschut door duinen. De laaglandvorm heerscht in Ne-
derland zoodanig, dat bij eene doorbraak der beschermende
duinen een groot gedeelte van het rijk onder water zou gezet
worden. Toch onderscheidt men er, daar het tevens gelegen is
aan den voet van het Duitsche hoogland, twee terrassen (een ooste-
lijk en een westelijk), die echter zeer weinig (ruim 30') in hoogte
verschillen. Elk dezer terrassen laat zich weder splitsen in
twee vlakten, die door (de Utrechtsche en de Veluwsche) heu-
vels van geringe hoogte gescheiden worden.
Tot het eerste terras behoort Zeeland, Zuid- en Noord-Holland
met eenige westelijke deelen van Noord-Brabant, het westelijkste en
noordelijke deel van Priesland en het grootste gedeelte van Gronin-
gen; dit terras ligt naauwelijks 1 Ned. el boven den spiegel der zee,
terwijl de drooggemaakte meren en bedijkte polders gewoonlijk ge-
lijk of tot zelfs 16' beneden dien spiegel 1 iggen. Het tweede terras bevat
het midden van Noord-Brabant, het westelijk deel van Gelderland,
het oosten van Utrecht, verder een groot gedeelte van Overijssel
(de strook tusschen Zwolle en Hengelo), eene zuidelijke, westelijke
en noordelijke strook van Drenthe. De overblijvende gedeelten wor-
den ingenomen door de Utrechtsche, Veluwsche en Drentsche hoog-
ten, waarvan de toppen zich tot ongeveer 350' boven de zee ver-
heffen eu aan die streken een golvend aanzien geven. In het zuiden
van Limburg heeft men de voortzetting der Belgische Ardennen,
die op de Limburgsche grenzen nog 650' hoog zijn, en verder grooten-
deels op den regter oever met de Maas al dalende evenwijdig loo-
pen tot ongeveer op de grenzen van Gelderland. Uit hoofde der ge-
ringe tertiaire grondvorming in ons land is de bodem arm aan mine-
ralen ; echter wordt dit gebrek eeniger mate vergoed door de vele
veenen, die, na hun tol aan brandstoffen (turf) betaald te hebben,
veelal (de hooge veenen) bebouwbaar gemaakt worden 1).
1) Zie Dr. Staring, de bodem van Nederland.