Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
de seine, de loire. § 55. 319
Het is een eigenaardig versehijnsel der rivieren, welke uit het
Duitsche en het oostelijke middengebergte op de Noord-Duitsche
laagvlakte komen, dat zij door zijrivieren op den linker kant van
zoo nabij in aanraking komen met het stroomgebied van de eerst-
volgende oostelijk gelegene rivier, gelijk men dit heeft bij den Rijn
door de Lippe met het Wesergebied, bij de Weser door de Aller
met het Êlbegebied; verder oostwaarts heeft deze toenadering
plaats door dubbelarmige zijrivieren, en hier is door middel
van korte kanalen eene wezenlijke verbinding gemaakt tusschen
Weser (door de kleine Hamme), Elbe, Oder en Weichsel. (De daar-
toe gebruikte zijrivieren volgens de kaart op te geven!). Ook naar
het oosten staat de Weichsel door zijn dubbelarmigen toevoer (van
den Bug met de Narew) door middel van twee kanalen in verbin-
ding met den Dnieper en den Niemen.
c. De rivieren van het westelijk of E ranse h
midden gebergte.
Het Fransch middengebergte zendt zijne wateren onmiddel-
lijk door twee hoofdrivieren naar den oceaan: Seine en Loi-
r e, middellijk door verscheidene zijrivieren, waarvan sommige
in de twee genoemde, andere in de Garonne vallen, die
zelf haar oorsprong heeft op de Pyreneën. Alle drie hebben
mondingen, die veel gelijken op golven, zoodat de zeeschepen
tamelijk ver stroomopwaarts kunnen varen.
1. De Seine treedt digt bij hare bron aan de noordelijke
helling van de Côte d*or in het Fransche laagland en ontvangt
in haar bovenloop de twee met haar parallel loopende stroompjes,
de Aube (regts) en de Yonne (links), in haar middenloop
de in 't begin insgelijks met haar evenwijdige Marne en de
(door de Aisne versterkte) Oise. Zij is onder alle Fransche rivie-
ren het minst snel vlietend en het minst aan overstroomingen
onderhevig en niet alleen is zij over een groot gedeelte van haar
loop bevaarbaar, maar ook de gemelde zijrivieren kunnen over
eene groote uitgestrektheid bevaren worden.
2. De Loire, welker stroomgebied (een vierde van geheel
Frankrijk) reeds van natuur dubbel zoo aanzienlijk is als dat
van de Seine en door het aanleggen van kanalen nog kunst-
matig vergroot werd, is de hoofdslagader van het verkeer tus-