Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
316 DE ODER. § 55.
Trideutiuer Alpen. Het Etschdal vormde van oudsher een grooten
weg voor de togten der volken, misschien eerst van 't noorden
naar't zuiden uit het gebergte in de Po-vlakte; later drong de
Romeinsche veroveringslust omgekeerd van 't zuiden naar 't noor-
den ; daarop volgden weder de stroomen der volksverhuizingen den
natuurlijken loop der wateren naar 't zuiden en groeiden tot een
geweldigen stroom aan.
De aanzienlijkste kustrivieren van het Alpenstelsel :
Breuta, Piave, Tagliamento, Isonzo, stroomen allen
naar de Adriatische zee, waarvan zij de noordkust door de
puin-bezinking al meer en meer bederven.
II. de eivieeen der middengebergten.
a. De rivieren van het oostelijk middengebergte
of van de Karpathen, zie bij den Donau (bl. 309), den
Dniester en den Weichsel bij Oost-Europa (§63 ).
h. De rivieren van het Duitsche of centrale mid-
dengebergte. De beide grootste daarvan (Oder en Elbe)
trachten, even als de Weichsel, niet langs den kortsten weg
van het gebergte uit de zee te bereiken , maar zij volgen hoofd-
zakelijk de rigting van 't zuidoosten naar 't noordwesten. Daar
de Noord-Duitsche laagvlakte bij de eenvormigheid van den
grond slechts ééne hoofdhelling heeft, ontstaat daardoor eene
evenwijdigheid in den loop der rivieren.
1. De Oder ontspringt op de noordelijke helling van
de zoogenaamde Moravische inzinking , die tot verbinding
dient tusschen de zuidelijke helling der Sudeten en de Kar-
pathen (Beskiden). Versterkt door de Oppa, die zij links op-
neemt , treedt zij reeds bij Ratibor op de Noord-Duitsche laag-
vlakte , waartoe zij grootendeels behoort. Zij stroomt in eene
noordwestelijke rigting door een wijd dal, dat in 't oosten
door het plateau van Tarnowitz, in 't westen door den berg-
rug der Sudeten begrensd wordt, van waar zij de Silezische
Neisse, de Katzbach, den Bober en de Lausitzer
Neisse ontvangt. Na de laatsten te hebben opgenomen , is