Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
314 zijbivieren en meren van den po, § 55.
Reeds in zijn wilden bovenloop (tot aan de instrooming van
den Tessino) ontvangt hij aanzienlijken toevoer van beide zijden :
links van de beide hoogste Alpengroepen, van den Montblanc
de Dora Baltea, die uit het dal van Aosta bij Ivrea de vlakte
binnentreedt, en van den Monte Ro sa de dikwerf gesplitste Sesia,
regts de grootste Apennijnen-rivier, den Tanaro, die zijn oor-
sprong insgelijks op de Alpen (den Col di Tenda) heeft, daar waar
de Apennijnen als een tak van de Alpen uitioopen, maar dan de
noordelijke Apennijnen bijna in hunne geheele breedte doorbreekt.
Bij het begin van den middenloop van den Po houdt het
sterke verval op, en de hierdoor aangevoerde massa puin en slijk,
daar zij bij het geringer verval nu bezinkt, heeft den bodem der
bedding in den loop der eeuwen zoo zeer verhoogd, dat de wateren
door kunstmatige dijken (thans 10 — 12' hoog) binnen hunne palen
moesten gehouden worden, ten einde de aangrenzende laagten voor
overstroomingen, vooral voor hooge lentewaters, te beveiligen.
Zoo heeft de Po reeds vroeg de volkeren, die zijne oevers wilden
bewonen, tot aanzienlijke inspanningen van kracht en geest ge-
dwongen. De langzame verhooging van het rivierbed zou nog snel-
ler toenemen, wanneer de zijrivieren in den midden- en beneden-
loop ook nog hare massa puin en aarde aanvoerden. Maar dit
wordt verhinderd door de onbeduidendheid der Apennijnen-stroo-
men, die 's zomers meestal droog zijn, en ook daardoor, dat de veel
sterkere Alpenstroomen van den middenloop eerst in een Alpen-
meer hunne steen- en kiezelmassa laten bezinken en hunne aldus
gezuiverde wateren naar den Po voeren.
Zoo stroomt de Tessino van den St. Gotthard in het Lago
Maggiore (15 uren lang, 1 uur breed), dat tegenover de Bor-
romeïscbe eilanden ook de om hare trotsche watervallen (400'
hoog, 80' breed, en dus den Rijnval ver overtreffen) beroem-
de Tos a en op de oostzijde ook de afwatering van het Luga-
n o-meer (de Tresa) opneemt. Kort nadat de Tessino het meer
verlaat, verliest hij ook zijn wild karakter en krijgt door stroom-
splitsing en eilandvorming allengs de breedte van 1 mijl (daarom
was hij tot 1859 de grensscheiding tusschen de beide grootere sta-
ten der Lombardische laagvlakte). Insgelijks loopt de Ad da (van
het Wormser-joch door het Yeltliner-dal) door het meer van Como
(12 u. lang, 1 uur breed), de Oglio door het kleine Iseo-meer
en de Mincio door het Garda-meer (16 urenlang, 1—5 breed),
dat hij onder den naam vau Sarca was binnengestroomd. Al deze
meren liggen aan het einde der zuidelijke Alpendalen, die de zon-