Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE MIDDEN-DONAU. § 55, 309
van den Donau naauwer door de nadering van het Bohemerwoud
in H noorden en van de Alpen in 't zuiden ; de hoofdstroom, als-
mede de toevoer van het zoogenaamde Zoutkamergoed (de Traun),
die hem de Alpenwateren, in de sehoone meerbekkens (Gmunder- of
Traun-meer, dat vau Hallstadt, dat van Atter) gezuiverd, aanvoert,
vormt schietstroomen en heeft rotsriffen te overwinnen. Als hij uit
deze dalengte op het Marchfeld treedt, krijgt hij eene grootere breedte
en splitst zich in verscheideue armen, die kleine gouwen (Auen)
vormen (zoo als de Lobau).
Ouder alle zijdaleu van het Donaugebied wordt het Inn dal, zoowel
wat natuurschoonheid als bebouwing en bevolking betreft, door geen en-
kel overtroffen en is in 't algemeen het belangrijkste lengtedal van het
Alpenland. ITet wordt verdeeld in het naauwere, hoog gelegene , voor
landbouw weinig geschikte Boveu-Inndal met korte, kloofvormigc zijda-
len (tot Zirl boven lunsbruck) en het wijdere, zachtere, veel vruchtbaarder
Beneden-Inndal met breede opene zijdalen. Dc Inn ontspringt op de
zuidelijke helling van den Septimer en doorloopt in eene noordoostelijke
rigting een tamelijk breed, met betrekking tot zijne hooge ligging zeer
bebouwd (20 uur lang) dal Engadin. De reeds sterke stroom breekt door
de diepe en enge (1 mijllange) kloof van Finstermunz, eene der merk-
waardigste veroaauwingen van het stroombed. Ook in zijn verderen loop töt
het einde van het O e t z d al, dat in woestheid en verhevenheid niet gemak-
kelijk overtroffen wordt, bruischt de Inn door de enge rotskloven, zoodat
er in den dalgrond geen ruimte voorhanden is voor den aanleg van dorpen
zoo min aU van wegen. Naarmate het dal wijder wordt, neemt de bebou-
wing toe ; het mijnwerlc (bij de groote dorpen Hall en Schwatz) lokt daar
eene aanzienlijke bevolking zamen. Het beneden-Inndal houdt bij Kufstein
op een lengtedal te wezen, want de Inn breekt door de Kalk-Alpen cn
treedt in eene noordelijke rigting op de Beijersche hoogvlakte met zeer
lage oevers. Hier ontvangt hij regts en links versterking door afwaterin-
gen van de landmeren, die aan den voet der Alpen liggen (links het
Tegern-, regts het Chiemmecr), en maakt na de vereeniging met de Salza
de grens tusschen Beijeren en Oostenrijk.
Ook het dal der Salza behoort tot de schoonsteen tevens verhe-
venstc Alpendalen. Zij zelf ontstaat op de Dreiherrnspits, vereenigt zich
met de Krimler Ache, die den sterksten en hoogsten (2000') waterval ia
het geheele Alpenbergland vormt, en loopt dan door het lengtedal van den
Pinzgau, tusschen de Salzburger Alpen en de hooge Tauernketen, die haar
eene menigte gletscherbeken toezendt, keert zich eensklaps naar het
noorden, breekt door de Kalk-Alpen en komt beneden Salzburg uit de
bergwereld op de Beijersche hoogvlakte.
6. De Midden-D0nau, van Presburg tot Orsowa,