Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
308 de boven-donaf. het inndal. § 53.
van 't westen naar 't oosten om de Beijersehe hoogvlakte
stroomt, gelijk de Eijn van 't oosten naar 't westen om de
Zwitsersche hoogvlakte, wordt naar zijne rigting in twee deelen
gesplitst: een noordoostelijk tot Regensburg, het noordelijk-
ste punt van den Donau, en een iets langer, zuidoostelijk. Het
eerste heeft de hoofdpunten der stedelijke bevolking hoofdzakelijk
op den linker oever, omdat de lagere regter oever te moerassig
en te zeer aan overstroomingen blootgesteld is; het tweede heeft
zijne steden op deu regter oever, omdat hier de grootste zijri-
vieren zijn en op de zuidzijde zich wijde vruchtbare vlakten
uitstrekken, die ook beter geschikt zijn voor het aanleggen
van wegen dan de linker oever met zijn bergmuur. Over deze
geheele uitgestrektheid (van 100 mijl.) bepaalt zich het stroom-
stelsel van den Donau tot eene zijde. Want van de noordzijde
ontvangt hij maar onbeduidende zijrivieren: Altmuhl, Naab,
Regen (allen in de nabijheid van Regensburg), omdat hij hier
onmiddellijk aan den voet van den Duitschen Jura, het Beijer-
sehe woud en het Bohemerwoud stroomt; eerst aan de grens
van het Boven- en Midden-Donaubekken krijgt hij den eersten
aanzienlijken toevoer op den linker oever , de March, die met
eene zoo regte hoofdrigting van 't noorden naar 't zuiden door
Moravië loopt, dat zij bijna onder den meridiaan der bron zich
(boven Presburg) ontlast. Daarentegen ontvang de Donau regts,
uit het Alpenland , groote wateraderen : Iller, Lech, Isar,
Inn (de beide laatsten met de afwateringen der meren op de
Beijersehe hoogvlakten), Traun, Enns, onder welke echter
alleen de Inn , en deze nog maar in zijn benedenloop, van be-
teekenis is voor de scheepvaart. Het bed der rivieren, die, zon-
der door Alpen-meren gezuiverd en gematigd te zijn, over de
Zwabisch-Beijersche hoogvlakte rollen, geheel ongeregeld en
aan volslagen verwildering prijs gegeven, was dus, als de rig-
ting naar den Donau er bij kwam, geschikt totgrensvorming,
waartoe niet alleen Iller en Lech, maar ook Inn en Enns ziju
gebezigd geworden.
Beneden de uitwatering van den Inn (bij Passau) wordt het bed