Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE DUITSCHE NEDER-KIJN. § 55. 303
armen zijne watermassa 1) en vormt de zoogenaamde Rijndelta;
ten laatste treedt hij nog door zijn nitersten linker arm, de Waal,
met de uit het zuidwesten steeds digter'bij komende Maas in ver-
binding.
aa. De Duitsche Ne der-Rijn heeft zijne beteekenis inde
staatkunde en de geschiedenis der beschaving niet alleen te dan-
ken aan den voor de scheepvaart zoo gunstigen toestand zijner wa-
termassa, maar ook aan de gesteldheid der omstreek; want geen
gebied langs den geheelen Rijn legt in zulk eene uitgestrektheid,
zoo in de lengte als in de breedte, aan de bebouwing en het gemak-
kelijk verkeer te land zoo weinig hinderpalen in den weg; geen
gebied heeft eene zoo digte bevolking (in enkele streken 11 000 tot
12 000 op 1 □ m.), vooral sedert de industrie op beide zijden der
rivier, deels onmiddellijk aan de oevers, deels op eenigen afstand
daarvan, in't bijzonder aan den voet der naburige bergen en in
de dalen der zijrivieren hare werkplaatsen heeft opgeslagen. Dit
is hoofdzakelijk het geval aan de Wupper, van welker sterk ver-
val en snellen loop men als drijfkracht gebruik maakt, alsmede
aan de Roer, wegens den rijkdom aan steenkolen. Met het
zelfde gemak als deze industrie hare behoeften langs water- en land-
wegen ontvangt, voert zij hare voortbrengselen af.
De z ij rivieren van den Duitschen Neder-Rijn liggen (met uitzonde-
ring der weinig beteekenende Erft) allen op den regter oever; zij zijn : de
Sieg, de Wupper, deRoerendeLippe; zij doorsnijden allen
het Rijn-Westphaalsche bergland, stroomen allen meteen slangenloop,
die hoofdzakelijk van 't oosten naar 't westen gerigt is, evenwijdig naast
elkander, bijna op gelijke afstanden. Hare lengte verschilt en neemt, wan-
neer men de Wupper buiten rekening laat, van't zuiden naar *t noor-
den steeds toe, omdat het brongebied in't zuid-oosten ligt. De dalen
der beide noordelijkste en dus tevens der beide grootste en bevaarbare, de
Roer en de Lippe, dienden tot banen tusschen den Rijn en de Weser, langs
1) Van Emmerik tot aan het punt van separatie is de afstand onge-
veer 16 000 ellen en het verval 1,784 el; van het punt van separatie tot
Hardinxveld langs den stroomdraad 90 000, het gemiddeld verval bij eb en
vloed 9,415 el; van Hardinxveld tot aan de Moerdijk langs de killen
23 000, gemiddeld verval 1,035 el. Op den noordelijken arm heeft men:
van het punt van separatie tot Krimpen langs den draad eene lengte van
121 000 ellen met een verval van gemiddeld 10,891 el; van Krimpen tot
Brielle eene lengte van 34800 ellen bij een verval van gemiddeld 0,321 el.