Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
302 DE BENEDENLOOP VAN DEN RIJN. § 55.
De Moezel (80 m.) strekt op de zelfde wijze tot verbinding van den
Rijn met bet binnenland van Frankrijk, als de Main met het hart van
Duitsehland. Zij heeft als de voornaamste westelijke zijtak van den Rijn
westelijke en zuidelijke volkeren (Celten en Romeinen) herwaarts gevoerd,
even als de Main als oostelijke vleugel dit gedaan heeft met oostelijke en
noordelijke stammen (Germanen en Sueven),
Het Fransche Moezelgebied strekt zich uit van de bron aan
den zuidwestelijken voet der Vogesen tot op de plaats, waar de Sa ar,
die ook aan den westelijken voet der Vogesen ontspringt en hare grootst©
(12 mijlen opwaarts) bevaarbare nevenrivier is, wordt opgenomen. Naar
hare rigting wordt zij in twee deelen gesplitst: a. de Boven-Moezel
met noordwestclijken loop tot Toul, het punt, waar zij het digtst bij
de Maas komt en met een scherpen boog eensklaps van de noordweste-
lijke tot de noordoostelijke rigting overgaat. Hierop volgt de Midden-
Moezel, die, versterkt door de M e u r t h e, in een wijd en vlak bek-
ken treedt en in bebouwing en bevolking alle andere deelen van het
Moezelland overtreft, waarom hier ook de voornaamste stad van het
geheele gebied, Metz, tot bloei kwam. Het beneden-, Duitsche
Moezelland is daarentegen bezet met de ruwe en voor landbouw
niet geschikte bergvlakte van den Eifel cn den Hondsrug, waarbij de diep
ingesneden , vruchtbare dalen der Moezel en hare zijrivierenten opzigte
van het klimaat sterk afsteken. De hoofdrivier heeft hier (in tegenstel-
ling met den naburigen Midden-Rijn) zulke talrijke krommingen,als men
bij geen anderen Duitschen stroom aantreft. Zij zijn op verre na wel niet
zoo belangrijk als in den Main, doch maken door de menigvuldige herha-
lingen toch den benedenloop dubbel zoo lang als de weg is, die over het
naburige bergplateau van Trier naar Coblenz voert.
c. De Benedenloop van den Rijn of de Ne der-Rijn (40
m. begint bij Bonn, waar de stroom uit het Neder-Rijnsehe berg-
land overgaat in het Neder-Rijnsehe laagland; hier houden de ber-
gen aan de linker zijde weldra geheel op, en op den regter oever
verwijderen zij zieh steeds meer van den Rijn. Hij vormt in zijne
eerste (bovenste) helft (tot even boven Nijmegen, 20 m.) een bree-
den, diepen, voor de grootste rivierschepen bevaarbaren, rustig
voortrollenden stroom, met gering, nergens schielijk verval, loo-
pende hoofdzakelijk in eene noordelijke (ten laatste noordweste-
lijke) rigting; van de regter zijde neemt hij nog aanzienlijke zijri-
vieren op: de Sieg, de Wupper, de Roer, de Lippe. In
zijne tweede (beneden) helft daarentegen (van even boven Nijmegen
tot aan zee insgelijks 20 m.) volgt de Neder-Rijn meestal eene wes-
telijke rigting, en van deze sterke buiging af ontvangt hij regts
geen toevoer meer, maar vermindert veel meer door afzending van