Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE MIDDEN-EIJN. § 55. 301
wijd dalbekken (van Coblenz tot Andernaeb). Dit gedeelte van den
Rijnloop is onder allen het minst gesplitst en gekromd en vormt
daarom ook den natuurlijksten en meest onmiddellijken weg van
gemeenschap tusschen den Boven- en Beneden-Rijn, tusschen
Noord- en Zuid-Duitschland, welks gebruik nogtans eerst iu den
jongsten tijd door het opruimen van eenige hinderpalen voor de scheep-
vaart (bij het Bingerloch, bij de Lurlei-rots, bij Unkel) eene hoogere
vlugt nam. Langs den geheelen loop van den Rijn vindt men ner-
gens zoo veel scheepvaart als op dit gedeelte. In staatkundig en his-
torisch gewigt daarentegen doet de Midden-Rijn (in beperkten zin)
onder voor de beide andere grootere deelen van het Rijngebied.
Op zijne smalle boorden, die, vooral op den regter oever, naau-
welijks ruimte hebben vooreen straatweg, kon geene aanzienlijke
opeenhooping van bevolking plaats hebben; deze vindt men meer
in het noorden en zuiden van den Midden-Rijn (Mainz, Frankfort,
Bonn, Keulen); daar reeds kozen in de hooge oudheid, met voor-
bijgang van den Midden-Rijn, de Romeinsche legioenen hunne kwar-
tieren, in de middeneeuwen geestelijke en wereldlijke vorsten hunne
residentiën, rijksdagen hunne oorden van bijeenkomst, de handel'
zijne stapelplaatsen.
Van de zijrivieren, die zich met moeite door dc bergen opbelde
zijden van den Midden-Rijn een weg bauen naar den hoofdstroom,
neemt deze, nog voor dat hij het zoogenaamde Rijnsche Schiefer-
gebergte doorbreekt, de IM ah e op, terwijl de Lahn en de Moezel
in het midden tusschen beide dalkloven, de een bijna, de andere juist
bij het begin van dat wijde, middenste bekken er in vallen; de eer-
ste op den regter, de laatste op den linker oever, even als de
Ahr, die verder noordwaarts uit een hoogst schilderachtig dal
komt stroomen.
De Lahn (30 m.) heeft haar brongebied op de oostelijke helling vau
het Westerwoud, niet ver van de bronnen der Sieg. Ilaar loop kan in twee
afdeelingen gesplitst worden, de B o v e n-Lahn tot Giesen met hoofdza-
kelijk zuidelijke, de Beneden-Lahn (van Wetzlar af bevaarbaar) met
hoofdzakelijk westelijke rigting en veelvuldig gekromde (meestal enge,
maar bij Limburg wijdere) dalkloof tusschen den Taunus en het Wes-
terwoud. Met deze natuurkundige indeeling van het Lahn-gebied komt ook
de ethnographische en staatkundige verdeeling overeen, daar in het eerste ge-
deelte steeds de Hessen (vroeger Katten) de overhand hadden, en het nog
tegenwoordig gedeeltelijk bij Hessen-Kassei, gedeeltelijk bij Hessen-Darm-
stadt behoort, terwijl het onderste Lahngebied met zijne zijdalcn het
hoofdland uitmaakt van het voormalige graafschap (nu hertogdom) Nassau.