Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE RIJN. HET A.\RSTELSEL § 55. 297
en Constantz aan de tegenovergestelde einde Ier grootste lengteas,
ook lacus Brigantin-us en (bij de Franschen nog thans) lac de Con-
stance, in de middeneeuwen als het grootste Duitsche meer ook de
Zwabische zee genoemd, scheidt de Zwitsersche hoogvlakte van de
Zwabisch-Beijersche. liet grootere deel van dit wijde waterbekken,
ingesloten door dorpen, kleine steden, kasteelen en landhuizen, heet
het Boven-meer, de noordelijkste golf het Uberlinger-meer
(naar het oude stadje Uberlingen) en het westelijke deel het Bene-
den-meer, dat ten oosten met het Boven-meer verbonden is door
eene vemaauwiug, die veel overeenkomst heeft met eene rivier-
bedding en ten westen zich weder zamentrekt tot een rivierbed, dat
van den afstroomenden Rijn. Elk der drie deelen heefteen eiland:
het Boven-meer de versterkte eiland-stad Lindau, het Uberlinger-
meer het liefelijke eiland Mainau, beide door bruggen met den oever
verbonden, het Bencden-meer bijna in 't midden het grootere eiland
Reichenau (met drie dorpen en eene voormalige abtdij der Benedik-
tijnen). De Bodensee vormt het middenpunt van een druk, door
stoom- en zeilschepen onderhouden verkeer tusschen vijf ocverstaten
(welke ?), waaraan nog een grooter bloei te wachten staat door de
spoorwegen, die op de Duitsche en Zwitsersche zijde uitloopen.
cc. De Rijnloop van de Bo dens ee tot Basel. Bij Stein
treedt de Rijn uit de Bodensee met eene veranderde, door de gedaante
Tan het meer reeds aangewezen rigting te voorschijn en blijft alleen
belangrijk voor scheepvaart en handel tot Schaffhausen; want hij vormt
bij Lauffen een waterval, die zich niet zoo zeer door valhoogte (40—
60'), als wel door breedte en hoeveelheid water onderscheidt en
tusschen en over de uit de golven opstekende rotsmassa's rolt. Wel-
dra neemt hij de aanzienlijke T h u r op (van de zuidzijde van den
hoogen Santis eerst evenwijdig met de Bodensee, vervolgens met
den Rijn zelf). Op zijn verderen wilden, voor de scheepvaart weinig
geschikten loop tusschen den zuidelijken voet van het Schwarzwald
en den noordelijken voet van den Jura voert hem de Aar den rijk-
dom in water toe uit geheel Midden-Zwitserland en verdubbelt zoo
zijne watermassa. Onmiddellijk voor Basel ontvangt hij de Birs,
die uit het diep ingesneden Munsterdal tusschen de Juraketen
te voorschijn komt.
Behalve de Aar en hare Alpenmeren bevat het Aarstel-
sel ook de Reuss en den Limmat met hunne meren, zoo-
wel als de meergroepen aan den oostelijken voet vau
den Jura, welker wateren allen daardoor naar het enge bed van
den Rijn gevoerd worden. De Aar ontspringt op de westzijde van
PÜTZ, VERGEL. AARDR. 20