Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
294 BE RIJN. § 55.
I. DE ALPENSTROOMEN EN DE ALPENMEREN.
De Alpen hebben hun grooten rijkdom aan water hoofdzake-
lijk te danken aan de uitgestrekte sneeuw- en ijsvelden, die juist
in drooge zomers, wanneer de overige bronnen ophouden te
vloeijen, het sterkst de bergwateren uit hun voet laten stroo-
men. Het hydrographiseh gewigt der Alpen wordt nog verba-
zend verhoogd door dat zij niet enkel een aanzienlijken waterschat
bezitten, maar hem ook naar alle rigtingen eii naar ver verwij-
derde oorden zenden. Van de Alpenstroomen blijft de Eijn alleen
in zijn bovensten loop, de Rhone , Po en Etsch in hunne ge-
heele lengte en de Donau in zijn boven- en middenloop iu de
nabijheid van het Alpendal.
1 Be Eijn.
Geographische stelling.
Het gebied van den Rijn (4000 □ m.), dat een onregelmatig pa-
rallellogram vormt, (met eene lengte van 110 m., met eeue grootste
breedte van 70 m. van de bronnen vau den Main tot aan die van den
Moezel, en eene kleinste breedte van 15 m. tusschen de gebieden
van den Donau en de Doubs) is door zijne ligging in het midden van
Ceutraal-Eiu-opa (even ver van de noordoostelijke als van de zuidwes-
telijke landen van ons werelddeel), door zijne juiste verhoudingen
(2000 m. op elke zijde, zoodat de hoofdader in het midden ligt)
en de volkcjmen ontwikkeling van zijn stroomstelsel niet alleen de
groote weg voor handel en verkeer tusschen het noorden en zuiden
geworden (tusschen Nederland en Zwitserland, Engeland en Italië),
maar ook een der hoofdtooneelen van de verplaatsingen der volkeren,
de wieg en het middenpunt van het groote Erankische rijk, het uit-
gangspunt der beschaving voor het overige Duitsehland, het slagveld
voor de beslissing over de gewigtigste Europesche vraagstukken.
Hier ontstonden de oudste steden aan deze zijde der Alpen, oor-
spronkelijk als het kamp voor vreemde veroveraars, maar die spoe-
dig residentiën der keizers, bisschoppelijke zetels, vergaderplaat-
sen voor de rijksdagen, verkiezingen van keizers en conciliën, de
stapelplaatsen van den handel, de zetels van de nijverheid werden.
De hoofdstroom en zijne aanzienlijkste zijrivieren, die van 't noord-
oosten en 't zuidwesten daar heen vloeijen, stuwen hunne meestal
vreedzame, maar steeds rijke en bijna altijd gelijkmatige wateren
langs heuvelen, prijkende met Baechus' zegeningen en over lagchende