Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
384 HET CENTRALE DUITSCHE MIDBEXGEBERGTE. § 53.
bergkegels, zooals de Hohenzollern (2660') en de hooge Stau-
fen (2140').
2. Het Centrale Duitsche Middengebergte,
in 't zuiden door den Donau, in 't noorden door den Main,
de Eger en de Boven-Elbe begrensd, omvat twee plateauland-
schappen met hunne rand- en scheigebergten en de terrasvor-
mige berg- en heuvellandschappen van Bohemen en Moravië.
a. DeFrankisch-Zwabische hoogvlakte wordt
van alle kanten door randgebergten ingesloten , namelijk in 't
weslen door het Schwarzwald en Odenwald, in H zui-
den door den Zwabisehen Jura, in't oosten door den Frän-
kischen Jura, in't noordendoor het Thüringer woud,
het Ehöne-, en Vogels-gebergte enden Spessart.
b. Het plateau der Opper-Palts, ook van drie zij-
den ingesloten door den Frankischen Jura, het Fich-
telgebergte en het Bohemerwoud, maar open naar
het zuiden.
c. De terrassen van Bohemen en Moravië tusschen
het B O h e m e r w o u d en het Moravische gebergte (eene
breede opzwelling van den grond zonder zamenhangendeu kam
of bergkarakter). In Bohemen verhefFen zich drie zulke terras-
sen boven elkander, in de rigting van 't noordoosten naar 't
zuidwesten op beide oevers a) van de Beneden-, ß) van de
Midden-,van de Boven-Moldau, zoodat het hoogste op het Bo-
hemer-woud stoot, het laagste tot aan de Elbe en de Eger reikt.
Het hoogland van het Midden-Duitsche bergland neemt iu
de rigting van 't westen naar 't oosten in hoogte toe, daar de Zwabi-
sche hoogvlakte het laagste (600—800'), het plateau der Opper-Palts
hooger is (900—1200'), de hcuvelterrassen van Bohemen het hoog-
ste (tot 2000')zijn. Onder de randgebergten is daarentegen dat,
hetwelk het meest in 't midden ligt, het laagst en tevens het smalst,
want de Frankische Jura verheft zich met zijn slechts 4 mijl
broeden rug naauwelijks 100' boveu de Frankische hoogvlakte. Hij
vormt een weinig bemerkbaar scheigebergte tusschen twee plateaus.
Het Schwarzwald heeft geen eigenlijken bergkam, maar is alleeu
eene steile helling der Zwabische hoogvlakten naar het Rijndal.