Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
12 HET LAND. § 3.
sen met buitengewoon sterk verval, doch zonder eigenlijken
waterval; door groote ongelijkheden van een rivierbed worden
maalstroomen en draaikolken veroorzaakt; bij plotse-
linge dalingen in den loop der rivier ontstaat een waterval
of k a t a r a k t.
De meren zijn watermassa's, die aan alle kanten door het
land ingesloten worden, gedeeltelijk met, gedeeltelijk zonder
zigtbaren aan- of afvoer van water (voorbeelden van elke
soort!). Alle meren, die afvoer hebben, zijn zoetwaterme-
ren; tot die zonder afvoer behooren de zoutwaterme-
r e n (de Doode zee, vele meren in Midden-Azië), de plassen
en moerassen, waarvan het water met vreemdsoortige, (aar-
de bevattende of plantaardige) bestanddeelen vermengd is.
Het noordelijk halfrond heeft meer meren dan het zuidelijke,
de koude en gematigde luchtstreek meer dan de heete (opgave
der landen, waarin de grootste meren gevonden worden). De
meeste Europesche meren ondergaan eene toenemende verminde-
ring van water, omdat de bodem steeds hooger wordt door het be-
zinken der aarddeelen, aangevoerd door instroomende rivieren.
3. Het land (vastland en eiland) beslaat iets meer dan
een vierde der aardoppervlakte (0,27) en ligt voornamelijk op
het noordelijk halfrond (vergel. bl. 9). Daarom onderscheidt
men de aardoppervlakte in een land halfrond en een wa-
terhalfrond. Het eerste ligt om de noordpool, het laatste
om de zuidpool. Op het landhalfrond heeft men dan verder de
tegenstelling tusschen de ophooping der 1 andmassa
naar het midden (d. i. den noordpoolcirkel) aan de eene,
en de verbrokkeling in schiereilanden en eilanden aan
den omtrek van de andere zijde. Om den noordpoolcirkel lig-
gen de beide groote kontinenten der oude en nieuwe wereld
bijna in hunne geheele breedte, zoodat zij naar de zijde van
den oceaan tot op eene dagreis na (Behringstraat) bij elkander
komen, terwijl aan den tegenovergestelden kant (zuiden, oosten,
westen), maar vooral in het zuiden, eene toenemende versmal-
ling der kontinenten, waardoor wigvormige schiereilanden ont-