Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
280 BE AFZONDERLIJKE GROEPEN DER KARPATHEN. § 53.
maken in het vaste land en bij stormen op zee in beweging
komen.
Met betrekking tot den plantengroei onderscheidt men in
de Centra al-Karpathen a. een woudgewest (tot op 4200' hoog-
te), b. het gewest van 't kreupelhout en de struiken (tot 5000'), c.
het Alpe ngewest met de rijkste weilanden en de weelderigste alpen-
kruiden, zoodat driften rundvee en zelfs paarden tot aan den kam
van het gebergte gaan weiden. Dit gebergte is niet alleen eene
grens voor klimaat eu plantengroei tussehen het noorden en
zuiden, maar ook voorde weersgesteldheid (C. Ritter noemt
het Ta tragebergte „den grooten barometer van Oost-Europa") en
tevens scheidslinie tussehen verschillende volksstam-
men; in het noorden wonen Polen, in het zuiden daarentegen Ma-
gyaren, Slowaken, Rutheucn, aan beide zijden Duitschers, Joden
en Zigeuners, en, om deze verscheidenheid nog te vermeerderen,
heeft iedere volksstam, in weerwil der steeds toenemende vermen-
ging, zijne taal, zijne zeden, kleederdragten en andere eigenaar-
digheden bewaard; nogtans neemt de Duitscherhet meest den aard
aan van de stammen, waaronder hij leeft.
4. De zuidelijke helling der Centraal-Karpathen is het aan
ipetaal rijke Hongaarsche Ertsgebergte van middel-
matige hoogte (tot 5000'). Het wordt door breede dalen in ver-
scheidene smalle, maar lange groepen verdeeld.
5. De steile noordelijke helling der Centraal-Karpathen heet
de B e s k i d e n; zij verheften zieh uit het vlakke, goed bebouw-
de (750' hooge) Weichseldal onmiddellijk tot eene betrekkelijke
hoogte (4000'), waarbij alle bergen van noordelijk Duitseh-
land (zelfs de Reuzenkop) moeten achterstaan. Tusschen hunne
hoogste toppen aan het oostelijk en westelijk einde ligt eene reeks
koepelvormige, schilderachtige bergen van gelijke hoogte (4000').
6. De Kleine Karpathen, eene westelijke parallel-
keten van het Hongaarsche Ertsgebergte, tusschen Waag en
March, van middelmatige hoogte, loopen tot aan den Donau
bij Presburg, tegenover het Leithagebergte, waardoor de Alpen
en Karpathen verbonden worden.