Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE AFZONDERLIJKE GROEPEN DER KARPATHEN. § 53. 279
sehe Alpen (Negoi 8046') en in 't noorden (Koehoorn 7160');
het middenste deel van den westelijken rand vormt het Zeven-
bergsehe Ertsgebergte (het goudrijkste in Europa), dat
echter veel lager is (de Bihar 5672'). De oostelijke rand bestaat
uit eene binnen- en buitenketen. De wateren van de binnenste
helling der randgebergten breken door den rand en banen zich
een weg deels naar den Donau (door de Aluta), deels naar den
Theiss (in 't westen door de Maros, in 't noorden door de Szaraos).
De Zevenbergsche hooggebergten hebben wel het karakter der Alpen,
maar niet hnnne gletschers; doch zij bezitten in de plaats daarvan een sie-
raad: de zoogenaamde zeeoogen, d. i. talrijke, heldere, dikwijls onpeilba-
re meren op eene hoogte van meer dan 6000'.
2. Het Karpathische Woudgebergte, waardoor Ze-
venbergen en de Centraal-Karpathen verbonden worden, van
geringe, naar het noorden afnemende hoogte.
3. De Centraal-Karpathen (20 m. lang), bestaande
uit een hoogen Alpenstam in het midden en twee hieruit loopen-
de voorgebergten, die zich naar't noordoosten en westen uitstrek-
ken en veel overeenkomst met elkander hebben. De middenste
bergstam splitst zich naar zijne dalvorming en hoogte weder in :
a. eene hoogere oostelijke groep of het eigenlijke Ta trag e-
bergte, dat (maar 3 m. lang) onmiddellijk uit de (1000'
hooge) laagvlakte (7000' hoog) opstijgt en de hoogste toppen
van het geheele gebergte bevat: den Gerlsdorfer- en den Lomnit-
zertop (beide meer dan 8300'), de ijsdalen, enz.; ö. eene lagere,
westelijke groep of de Liptauer Alpen (5000—6600').
In weerwil hunner hoogte blijft op de hoogste toppen van het
Tatragebergte zelfs in de guurste zomers de sneeuw niet liggen,
en de sneeuw en het ijs, die in enkele kloven gevonden worden,
zijn geen wezenlijke gletschers (zoo als men beweerd heeft), zij
verdienen slechts den naam van ijs- en sneeuwgroeven. De Kar-
pathen hebben iets eigendommelijks in de kleine hoogliggende (4000
tot 6300') meren, die in het warmste van den zomer dikwijls nog
in het midden met groen ijs zijn bedekt, terwijl de randen ont-
dooid zijn. Van hen gelooven nog ten huldigen dage de in de na-
bijheid wonende menschen, dat zij met de zee in eene onderaardsche
verbinding staan, als het ware er de oogen {,)Zeeoogen") van uit-