Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
DK LANDWATEllEX. § 3. 11
en maan, ebbe en vloed, wiuden, verschil in temperatuur en lueht-
drukking). Er zijn drie hoofdrigtingen: iu de strekeu van den eve-
naar vau het oosten naar het westen, iu de koude en gematigde
streken vau het noorden naar het zuiden en omgekeerd. Het koude
water stroomt van de beide polen naar de tropische streken, neemt
hier eene hoogere temperatuur aan en wordt equatoriaalstroom, die
dau weder zijne warme watereu naar de koudere streken en de po-
len zendt iu eene zuidwestelijke eu noordoostelijke rigting. De af-
zonderlijke stroomingen, zie § 4—8. Zoo hebben de zeeën zoowel
als de kontinenten hare door de natuur aangegeven wegen, wier
belangrijkheid toeneemt met de uitbreiding der vaart op den oceaan.
Behalve deze regelmatige stroomiugen ziju er nog toevallige,
vooral in de gematigde en koude luchtstreken.
De land-wateren.
Het water, dat zich onder de oppervlakte der aarde bevindt,
komt eerst te voorschijn als bron en vergadert zich in be-
ken, rivieren en stroomen. De gezamenlijke, tot een stroom
vereenigde wateren vormen een stroomstelsel; de vlakte,
hierdoor ingesloten, noemt men s t r o om ge b i e d. De plaat-
sen, waardoor verschillende stroomgebieden gescheiden worden,
zoowel op den rug der gebergten als in de vlakte, dragen den
naam van waterscheidingen. Bij elke rivier of eiken
stroom heet de diepte, waardoor de strooming plaats heeft, b e d-
ding; de boorden noemt men oevers (regter en linker), de
plaats van uitwatering monding, waarvan de vorm zeer ver-
schillend zijn kan: of eene delta, of een liman, d.-i. zoetwater-
golf, die, als zij door zandduinen van de zee gescheiden wordt,
haff heet, of de monding maakt eene formeele golf. Bij
eenigzins aanzienlijke rivieren onderscheidt men een boven-,
midden- en beneden-loop. De bovenloop heeft in den re-
gel het sterkste verval, d, i. helling van het bed, en daarom
de grootste snelheid in de strooming; in den middenloop begint
de rivier gewoonlijk bevaarbaar te worden ; in den benedenloop
is het verval het geringst, de watermassa het grootst en niet
zelden in verscheidene armen verdeeld. Door vernaauwing
van het stroombed ontstaan s c h i e t s t r o o m e n, d. i. plaat-