Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
270 WEST-ALPEN. § 52.
pas verschaifeu enkele huizen of grootere gasthuizen (op den Grooten St.
Bernard, den Simplon, den Cenis) een veiligheidsoord en eene rust-
plaats. De meeste passen liggen 6000—7000'boven de zee; de hoogste
kunstweg, of die over het Stilfser Joch 8610', de Brennerpas in Tirol
maar 4481', de Sommering 3120'; daarom is ook de eerste overgang
door middel van een spoorweg over den laatsten heen tot stand gebragt.
Het schoonste sieraad der Alpen is de krans van groote meren,
die het centrale gedeelte van den Alpenrug op beide zijden omgeeft
en zich langs den noordelijken voet van het meer van Bourget
tot aan de Traun, over een gebied vau meer dan 70 mijlen, aan
den zuidelijken voet van het meer van Orta tot aan dat van Garda
over eene lengte van 20 m. uitstrekt. Dit zijn bergketels, vol met het
helderste water, aan den uitgang der groote Alpendalen, met eene
diepte tot 2000'. Zij dienen tevens tot zuiveringsbekkens der Alpen-
wateren en bezitten eene oneindige verscheidenheid van natuur-
schoonheden, dan eens idyllisch-lieflijk, dan weder wild-verheven.
Wegens hun zacht klimaat zijn ze bij uitnemendheid geschikt voor
bebouwing; daarom vindt men hier de vereenigingspunten der be-
volking in steden, vlekken, dorpen en buitenplaatsen, en niet min-
der de drukke wegen van een groot handelsverkeer en derhalve veel
beweging zoo van roeibootjes als van stoomschepen. Verschillend
van deze groote meren zijn de kleine meren in het hooggebergte,
die men zeer veel (in het gebied van den Gotthard op zijn minst 30)
ten deele op den rug der bergen vindt en die hier op de waterscheidin-
gen in beken afstroomen. Door hunne eenzame ligging in de woeste,
koude gewesten der Hoog-Alpen zijn zij van geen de minste betee-
kenis voor den kuituurtoestand.
3. BESCHRIJVING VAN DE HOOFDKETENEN.
Op den horizontalen en vertikalen vorm, alsmede op den
geognostischen toestand berust de indeeling der Alpen
in drie hoofdvleugels.
1. De West-Alpen, van de Middellandsche zee tusschen
de golven van Genua en du Lion tot aan den Montblanc, loo-
pen in de rigting van 't zuiden naar het noorden (maar 40 m.
lang en 20 breed) met eene van 't zuiden naar 't noorden steeds
toenemende gemiddelde kamhoogte van 6000—9000' en eene
kruinhoogte van 7000—13 000'. De westelijke helling is verre
weg breeder dan de veel steilere oostelijke. Deze kleinste hoofd-
vleugel der Alpen wordt weder in drie deelen gesplitst: