Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VERTIKALE VORM. DALEN. § 52 269
van den bodem. De langste en aanzienlijkste dalen volgen de
rigting der hoofdketenen van 't zuidwesten naar 't noordwesten,
gelijk de groote lengtedalen van de Boven-Rhone, den Bo-
ven-Rijn, den Inn, de Salza, de Enns, de Drave, de Sau. Hier
vergaderen zich de Alpenwateren niet alleen uit de hoofddalen,
maar ook uit de enge, dikwerf woeste z ij- of dwarsdalen,
die door steile rotswanden ingesloten, in verscheidene terrassen
sterk hellen en soms zich tot groote bekkens verwijden. Deze
wenden zich dan buiten het Alpenstelsel door vier groote stroo-
men, Rijn, Rhone, Po, Donau, en een van middelmatige
grootte, de Etsch, naar zee.
Nergens op aarde treft men een hooggebergte met zulk een rijk-
dom aan Alpendalen, zoo veel verscheidenheid in het bruikbare
daarvan, nergens zulk eene ethnographische afwisseling (de Ro-
meinen telden reeds 50 kleine Alpenvolken). Want de groote Al-
pendalen (ongeveer 40) zijn even zoovele, in natuuivorm, voort-
brengselen en bewoners van elkander verschillende gouwen en te-
vens de groote wegen, waar talrijke steden en dorpen langs liggen.
De overgang van den weg uit het eene hoofddal naar het andere
aan de tegenovergestelde Alpenhelling heeft plaats door de diepste
inzinkingen van den kam of de Alpenpassen, die ten deele
niuildierpaden zijn, ten deele tot de prachtigste wonderwerken
van den wegen-aanleg behooren. In vergelijking met andere hoog-
gebergten zijn de passen in de Alpen het talrijkst (meer dan 30)
en gemakkelijkst (het laagst in de Oost-Alpen). Zij vormen met
hunne wegen de eigenaardige poorten voor den doortogt van men-
schen en dieren, behooren door hunne krijgskundige beteekenis tot
de belangrijkste plaatsen van het hooggebergte en gaven aanlei-
ding, dat in hunne nabijheid aanzienlijke steden ontstonden als
rustpunten voor en na den overtogt (zooals: Chur, Innsbruck,
Brixen, Gratz, enz.).
Tot het maken van kunstwegen over zulke Alpenpassen wordt ge-
vorderd, dat men de rotsen over eene groote uitgebreidheid doet springen;
verder heeft men torenhooge terrassen noodig, talrijke bruggen, die den
weg dan eens over dezen, dan weder over genen oever leiden, hooge dij-
ken, lange rotsgalerijen (eene soort van tunnels) tot beveiliging tegen la-
winen en door den wind in beweging gebragte steenblokken, toevlugts-
0orden voor reizigers en vrachtwagens bij stormachtig weder of wanneer
lawinen den weg gedurende vele dagen versperren. Op de hoogte van den