Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
268 VERTIKALE VORil. GLETSCHERS. § 52,
der Alpenketen zijn wel met sneeuwvelden, maar niet met glet-
schers bedekt, want deze liggen alleen aan de beneden-eindeu
der sneeuwvelden als hunne bevrozene afstroomingen; gebrek aan
neerslag in den dampkring geeft aan hunne vorming eene hoogte-
grens, die niet gemakkelijk de 10 000' te boven gaat. Zij hebben
in de Alpen eeue bijzonder volmaakte ontwikkeling verkregen, maar
behooren niet uitsluitend daar te huis; gewijzigd door den stand
van bergen eu klimaat komen zij in alle zonen voor.
De Gletschers 1) (iu Tyrol Ferner, in de Norische Alpen Kees,
in de Romaansche streken Vedretto genoemd) zijn reusachtige, strooms-
wijze gevormde ijsmassa's, tot 1500' dik en soms 6—10 uur lang (zel-
den minder dan een uur in omtrek), die de hellingen der bergen en de
diepste inzinkingen bedekken. Zij ontstaan door de ophooping van den
verdikten, tot groote hagelkorrels vast zaamgevoegden neerslag van sneeuw,
beginnen met een zoogenoemd firnmeer endalen als de lavastroomen
(tot op 5000', de Griudelwald-gletscher zelfs tot 3000' boven de zee) naar
de bebouwde dalen, waar hun voet, dikwerf met verbazende ijspoorten, tot
digt aan bloeijende boomen en groenende velden reikt. Zoo dalen van den
Montblanc 23 gletscherarmen naar beneden, waaronder men er verscheide-
ne aantreft, die 5—6 uur lang zijn en hunne ijsmassa's tot in de bebouw-
de dalen voortschuiven. Zij rukken vooruit of wijken terug, al naar dat de
aanvoer den afvoer te boven gaat of niet. Hunne golvende, ruwe opper-
vlakte wordt deels door kloven, die in haar wondervollen bouw de afzon-
derlijke firnlagen (dikwijls 29 tot 30) laten onderscheiden, deels door
morainen, d. i. strepen van steenen, die, van den rand des gletschers
of van eene rots in de nabijheid van zijn hoogsten top losgeraakt, zich of
langs den geheelen gletscher in bijna evenwijdige lijnen uitstrekken, of
alleen maar den ondersten rand omgeven en daar een grooten steenen
muur vormen. Bijna uitsluitend op de noordzijde der Alpen vindt men-
gletschers, omdat de helling ten zuiden te sterk aan de zon blootgesteld
en in den regel te steil is. De onstuimige, troebele gletscherbeken, die
aan den voet ontspringen, vormen met haren rijken waterschat de nooit
opdroogende bron der bevaarbare stroomen van Midden-Europa, welke in
den zomer van daar hun grootsten toevoer ontvangen, om datgene aan te
vullen, wat de lagere bergen en heuvels alsdan te kort schieten; hier-
door ontstaat eene voortdurende gelijkmatigheid der hoeveelheid water.
Alleen in Zwitserland heeft men meer dan 500 gletschers geteld, en de
hierdoor bedekte oppervlakte wordt op 50 □ m. geschat.
De inzinkingen of dalen komen overeen met de hoogten
1) Zie Peterm. Mitth., 1855, bl. 173 en vooral kaart 17.