Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VERTIKALE VORM DER ALPEN. § 52. 267
groep van den Montblanc. De oostelijke heeft in 't algemeen
Duitsche, de westelijke Eomaansche bevolking.
2. VERTIKALE VORM DER ALPEN.
Met betrekking tot de volstrekte hoogte der Alpen boven
den spiegel der zee onderscheidt men eene drievoudige terras-
vorming : V 0 O r-A 1 p e n, M i d d e n-A 1 p e n en H o o g-A 1 p e n,
waarbij men nogtans niet uit het oog verliezen mag, dat de
zuidzijde, wat temperatuur en plantengroei aangaat, in veel
gunstiger toestand verkeert dan de noordzijde van een geberg-
te, dat, gelijk eene naar 't zuiden gerigte broeikas, zijne eigene
noordzijde beschaduwt.
a. De Voor-Alpen liggen bijua uitsluitend op de noordzijde,
die veel minder steile helling heeft dan de zuidzijde. Hun voet
rust op verscheidene plaatsen reeds op eene hoogvlakte van 2000'.
Zij verheffen zich van waar de Alpen-natuur een aanvang neemt
tot aan de grenzen van den boomgroei, of van 2000—5000', en zijn
dus reeds hooger dan alle Midden-Duitsche gebergten. Zij bevat-
ten een rijkdom aan wouden en lenteweiden, bevolkte dalen met
dorpen, vlekken en steden.
b. De Midden-Alpen vormen insgelijks een gordel van 3000'
loodregte hoogte (5000—8000'), van de grens vau den boomgroei tot
aan die van de eeuwige sneeuw. Terwijl zij het gezamenlijk Alpen-
gebergte gelijk een krans omgeven, bevatten zij de Almen of Alpen,
d. i. vlakten, welke met gras, bloemen en kruiden bedekt zijn eu
's zomers door talrijke kudden een levendig aanzien verkrijgen en
waar de alpenherder, senne (in de Oost-Alpen Schwaiger ge-
heeten), zijn bedrijf uitoefent. Hier is tevens het vaderland van de
in de Alpen te huis behoorende dieren, de gems, den steenbok,
de marmot enz.
c. De Hoog-Alpen of het gewest van eeuwige sneeuw en ijs,
dat op de noord- of schaduwzijde der Alpen op ongeveer 8000', op de
zuidzijde (volgens nieuwere waarnemingen op de oostzijde ook bijna)
op 8800' hoogte begint. Hier heeft de wintervorst zijn zetel opge-
slagen; uitgestrekte sneeuwvelden en ijsmassa's vormen zijn rijk, dat
eene oppervlakte heeft van meer dan 100 □ m., en alleen aan de
rotswanden, die te steil zijn om de sneeuw te kunnen dragen, komt
de grijze, naakte steen te voorschijn, waar tot op 10 500' nog soms
een weinig mos en vlechten zich vastklemmen. De hoogste ruggen
18*