Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
EIGENSCITAPPEN DEK ZEE. § 3. 9
Het meeste water bevindt zich op het zuidelijk lialfrond (waar
de verhouding tot het land = 8:1, op het noordelijk halfrond daar-
entegen = 8:3 is). Daar tevens het oostelijk halfrond het meeste
land, het westelijke het meeste water heeft, zoo is het noordoosten
het gebied van den vasten, het zuidwesten het gebied van den vloei-
baren vorm.
Van de land-wateren verschilt de zee door:
het zoutgehalte (gemiddeld 3 procent) en de bij
gevolg grootere specifieke zwaarte, waarom de
zee zwaardere lasten draagt dan eene rivier, en de schepen,
zoodra zij uit zee eene rivier binnenloopen, meerder diepgang
hebben;
2®. eene gelijkmatige temperatuur aan de opper-
vlakte;
3^. hare eigenaardige bewegingen, bijzonder door het
periodiek rijzen en dalen van den oceaan (niet van de binnen-
zeeën), dat alleen merkbaar is aan de kusten en ebbe en
vloed genoemd wordt;
3®. eene grootere diepte, die op sommige plaatsen
met de hoogste vertikale verhevenheden des lands (27 000') ge-
lijk staat, en volgens de nieuwste waarnemingen die verre over-
treft, (inden Zuid-Atlantischen oceaan 43 380'?) ;
door een eigenaardig (phosphorachtig) lichten harer
oppervlakte bij een donkeren nacht, dat veroorzaakt wordt door
eene tallooze menigte infusie-diertjes.
Het zoutgehalte der zee is niet overal het zelfde, maar het
sterkst in de heete luchtstreek wegens de sterke verdamping, en in
de koude luchtstreek wegens gebrek aan toevoer vau zoetwater,
dat hier bevriest; het geringste integendeel aan de kusten, waar
groote rivieren hare uitwatering hebben (Azic en Zuid-Amerika).
De temperatuur van het zeewater hangt wel af van de tem-
peratuur des dampkrings (dus middellijk van de geographische breedte
en de jaargetijden), maar niet in die mate als de temperatum- van
het land en dan nog maar tot op eenige honderden voeten diepte 1).
De temperatuur van het water wordt met het toenemen der diepte
1) Zie "Wittwer, de Aarde en hare wonderen, bl. 322.