Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
V
het klimaat. 7
noordoosten, ten zuiden daarvan uit het zuidoosten; zij zijn
gescheiden door een gordel, die 4—5° breed is en waarin
verauderJijke winden, volkomen windstilten en stormen heer-
sclien. Door de regelmatigheid der passaatwinden wordt liet
gevaar eener zeereis aanmerkelijk minder (b. v. van de Ka-
narische eilanden naar Zuid-Amerika), c. moessons of af-
wisselende winden, die in den Indischen oceaan het
eene half jaar in deze, het andere half jaar in de tegenover-
gestelde rigting waaijen;
ten deele naar de werking (samoem, sirocco, chamsin, enz.).
Het klimaat, en bij gevolg ook de plantengroei van een
gewest, hangt voornamelijk af van de verwarming des damp-
krings door de werking der zonnestralen. Maar deze werking is
niet alleen afhankelijk van de geographische breedte eener plaats ;
vele andere omstandigheden oefenen daarop invloed uit, vooral:
de hoogte bovenden spiegel der zee, omdat de temperatuur
van den dampkring, die de meeste warmte van beneden ont-
vangt, naar boven afneemt, weshalve ook op een zeker punt in
de hoogte de sneeuw niet meer smelt 1);
2®. de meerdere of mindere afstand van de zee, die er naar
streeft om alle zich voordoende afwisseling in temperatuur te ver-
effenen, daar de verwarming der zee even langzaam plaats heeft
als het afkoelen. Uit dien hoofde onderscheidt men (vochtig)
kust- of zeeklimaat, (met koele zomers en zachte winters)
en (droog) v a s 11 a n d-k 1 i m a a t (met heete zomers en strenge
winters);
de rigting en hoogte der bergketenen, die van den eenen
kant de koude, van den anderen kant de warmere winden af-
koeren ;
4®. de gesteldheid van den grond, vooral het bestaan van
groote en digte wouden, die gedeeltelijk het doordringen van
warmtestralen belemmeren, gedeeltelijk de uitdamping van het
water en de uitstraling der warmte bevorderen. Daarom komen
1) Volgens Sclilagiutweit is de sneeuwlinie het hoogst op den Karakorum
<in Tibet), namelijk 17 000 Par. voet. Zie verder $ 32.