Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
228 VERTIKALE VORM VAS ITALië. § 50.
smal zuidoostelijk einde het Grieksche schiereiland tot op 5—6
mijlen. Het lang gerekte, tongvormige, eigenlijke schiereiland
is in 't zuiden door het diepe indringen van de golf van Ta-
rente zoodanig in twee kleinere schiereilanden gespleten, dat
het noordelijk begin van het westelijke (Galabrië) met de zui-
delijke punt van het oostelijke (Apulië) bijna de zelfde geogra-
phische breedte heeft. Zoo volgt uit den horizontalen vorm van
Italië eene natuurlijke splitsing in O p p e r-Italië of het konti-
nentale Italië, Midden-Italië of den ongetakten stam van
het schiereiland en B e n e d e n-It a 1 i ë met schiereiland vorming.
Alleeu de bevoorregte westkust heeft eilanden: drie grootere,
Corsica, Sardinië, Sieilië, en digt in hare nabijheid
twee groepen kleinere, de Toskaansche groep (Elba, Gorgona,
enz.) en de Campaansche (Ischia, Procida, Capri, enz.). Sicilië
is van drie kanten met groepen eilanden omgeven (zie bl. 243).
Bij de groote kustlengte van het eigenlijke schiereiland (350
mijlen, met de eilanden 650 mijlen) en de geringe breedte heeft
rapn reeds op 8 □ mijlen (en als de eilanden mede in rekening
gebragt worden, reeds op 6 □ mijlen) eene mijl kust, zonder dat
de kustvorming eene sterke geleding door bogten of golven heeft.
In kustontwikkeling doet dus het Italiaansche onder voor het
Grieksche; vooral ontbreekt daar dc groote rijkdom aan eilanden.
Uit dien hoofde waren de bewoners ook minder bestemd om zee-
vaarders te worden.
Vertikale vorm, hydrographie.
Italië bevat twee hoofdgebergten: de Alpen (zie § 52) en
de Apennijn.en, eene groote laagvlakte en vier kleine
kustvlakten (de Toskaansche, Eomeinsche, Campaansche,
Apulische). Den plateauvorm, die op het Iberische schiereiland
de overhand heeft, ziet men in Italië slechts in zeer geringe mate.
a. Het Italiaansche laagland of de bijna horizontale
Po-vlakte (eens welligt een zeebekken) is het eenige deel van
Italië, dat de natuur zelf als een groot geheel heeft aangewe-
zen en dat bij een vrij gelijkmatig karakter van bodem en klimaat
eene aanzienlijke uitgebreidheid bezit. Van drie zijden door
hooge bergen omsloten, in 't westen en noorden door de Alpen,