Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
LIGGING EN HOBIZONT. VORM V. ITALlë. § 50. 227
en van den waterweg naar Oost-Indië verloor Italië zijne gunstige
stelling en moest het zijne rol overdoen aan volken, wier landen met
eene gelijksoortige kustontwikkeling de meer gunstige ligging aan den
oceaan vereenigden. Deze voordeelige geographische stelling be-
hoorde nogtans van oudsher uitsluitend tot de breedere en vrucht-
baardere westkust (in tegenstelling van Griekenland, waar de oost-
kust de meeste ontwikkeling heeft), die de zetel der beschaving en
heerschappij werd, terwijl de smalle oostrand met zijne eenvormige,
klipachtige kust zonder diepe bogten, zonder goede havens en zon-
der nabijgelegen eilanden, tegenover het weinig beschaafde kust-
land van Illyrië, steeds door volkeren bewoond was, die meer vee-
teelt dan akkerbouw en handel dreven, dus zonder historisch gewigt
en aan de volkeren van den westrand, die alle historisch belang-
rijke deelen van het eigenlijke schiereiland omvat, onderworpen
waren. Het middenpunt van deze westkust, Rome, werd als natuur-
lijke hoofdstad van Italië, hoewel maar voor korten tijd, de naar
eenheid strevende vereenigende magt voor de aldaar wonende vol-
ken. Want hunne verbinding was steeds met moeijelijkheden ver-
bonden, deels wegens de afzonderende orographische vorming van
het schiereiland, dat uit vele op zich zelf afgesloten dalen en door ber-
gen of maremmen geseheiden kustlanden bestaat, deels door de
groote strekking in de lengte bij geringe kontinentale breedte, ten
gevolge waarvan de bevolkiug met hare belangen zich vooral naar bui-
ten wenden moest. Zoowel voor als na den tijd der Romeinsche heer-
schappij is deze afzondering merkbaar in de afzonderlijke landschap-
pen, waar het bewustzijn ontbreekt van tot een grooter geheel te be-
hooren; daarom is het ook in de middeneeuwen en den nieuwen
tijd bijna aan alle kustvolkeren der Middellandsche zee (Byzantij-
nen, Arabieren, Duitschers, Hongaren, Spanjaarden, Franschen)
mogelijk geworden, om ten minste enkele deelen, vooral in 't zui-
den des schiereilands, te beheerschen.
Ligging en horizontale vorm.
Italië dringt met zijne grootste breedte (in 't noorden) die-
per 't vastland van Europa binnen, dan een der beide andere
zuidelijke schiereilanden en is ook met de zuidpunt van zijn
vastland het verst (80 mijlen) van het tegenoverliggende vast-
land van Afrika verwijderd, maar nadert door zijne zuidwes-
telijke voortzetting, Sicilië, de noordwaarts uitspringende kust
van Afrika tot op een afst.md van 15 mijlen, en door zijn
15*