Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
224 DE JOXISCHE EILANDEN. 5 49.
dan het in oude en nieuwe tijden geroemde vergezigt in het mid-
den der Helleensehe landen en zeeën.
c. Eubea of Negroponte, een lang gerekt eiland aan de
oostkust van Livadië, waarvan het bij den Euripus maar lionderd
schreden verwijderd is. Zijne oppervlakte is overal bergachtig, ten
deele met heerlijke weidenen zware bosschen bedekt, doch weinig
bebouwd, want de geringe bevolking leeft van roof en veeteelt.
c. De Cycladen, ten zuiden van Eubea en Attika, steken ge-
deeltelijk hoog (1200—3000') boven den spiegel der zee uit en hun
meestal vulkanische bodem voedt door den rijkdom en de verschei-
denheid der voortbrengselen eene veel sterker bevolking (op eenigen
zelfs 4000 op 1 □ mijl) dan het vastland, vooral Hydra, dat
op 2 □mijlen meer dan 20000 mensehen telt. De stad Hermo-
polis (35000 inw.) op het eiland Syra is naast Athene de voor-
naamste. De eilanden ten noordwesten van Eubea, onder welke
Skyro het grootste is, zijn daarentegen weinig bebouwd eu schaars
bevolkt.
C. DE VEREENIGDE STATEN DER JONISCHE
EILANDEN. ^
De republiek der Jonische eilanden, die aan de Jonische
zee hun naam ontleenen, bevat zeven grootere eilanden : C o r-
fu (10 Q mijlen.), Paxo, St. Maura, Ithaka, Cefa-
lonia, Zante, Cerigo (ten zuiden van Morea) en verschei-
dene kleinere, die gedeeltelijk zeer digt langs Griekenlands west-
en zuidwestkust gelegen zijn. Zij verheffen zich tot eene matige
hoogte (1000—1500') bovenden spiegel der zee; aUcen Ce-
falonia's hoogste top bereikt 4000'. Waarschijnlijk door gewel-
dige omwentelingen in de natuur, gedeeltelijk van het vast-
land, gedeeltelijk van elkander gescheiden of uit de zee om-
hoog geheven, zijn zij rijk aan voorgebergten, goede havens,
reeden en ankerplaatsen, en, in weerwil van de weinige be-
sproeijing en den rotsachtigen, dorren grond, met wijngaar-
den (rozijnen, korenten) en bosschen van olijfboomen bedekt.
Vooral langs de kusten zijn zij digt bevolkt (bijna '/j mill. op
51 □ mijlen, dus ongeveer 5000 op I □ mijl), hoofdzakelijk door
Grieken, voor een klein gedeelte (8000) ook door Franken (Itali-
anen), die of tot de Latijnsche (vereenigde Grieksehe) of tot de Griek-