Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
KLIMAAT DER GRIEKSCHE SCHIEREIL. § 49. 213
matig hoogland (Arkadië). In 't zuiden en zuidoosten loopen takken der
randgebergten, gedeeltelijk hooger dan deze zelf, de vier schiereilanden
binnen, die door drie insnijdende golven gevormd worden. Deze verlen-
gingen van het hoogland eindigen met rotsachtige voorgebergten en tus-
schen deze liggen eenige kleinere laagvlakten. De Taygetus is de hoog-
ste (7400'), langste en meest volkomen bergketen van het schiereiland,
welke de oorspronkelijke rigting van Griekenlands kontinentale gebergten
weder opneemt, daar zij even als de Pindus van 't noorden naar *t zui-
den loopt. Zij verheft zich in hare toppen boven het Arkadische stam-
gebergte en loopt uit in kaap Matapan, het zuidelijk einde van
Europa.
Behalve het kontinentale bergstelsel in het midden heeft het schiereiland
van eigenlijk Griekenland nog een stelsel van oostelijke kustgeberg-
ten, waartoe de Olympus, de Ossa, de Pelion, de Knemis, en de keten
op Eubea behooren.
De rivieren, uitgezonderd die, welke op de zuidzijde van
den Balkan ontspringen, zoo als de Karasoe (Strymon) ende
Maritza, zijn van weinig belang; want die van eigenlijk Grie-
kenland hebben maar een korten loop, omdat de zee overal diep
iu het land indringt en dit alzoo weinig breedte kan hebben.
Terwijl zij in den winter en iu de lente dikwerf zulk eeu wild
en ongeregeld karakter aannemen, dat zij door kanalen en in-
dijkingen beteugeld en getemd moeten worden om den mensch
dienstbaar te zijn bij de kuituur, zijn zij des zomers zoo arm
aan water, dat zij voor een groot gedeelte opdroogen.
De voornaamste in Griekenland zijn: de Arta en de Aspropo-
tamo (Aeheloüs) op de westzijde, de Salambria (Peneüs) in Thes-
salie.
Klimaat.
Het klimaat is op het Grieksehe schiereiland over het alge-
meen minder zacht dan op de beide andere Zuid-Europesche, vooral
in de oostelijke deelen. Aan den noordelijken rand der Egeïsche
zee heeft het klimaat veel van dat van Midden-Duitschland; geheel
Roemeli brengt geen zuidvruchten voort. In het binnenland strekt
zich het ruwe klimaat nog verder naar 't zuiden uit; in de landen
aan den voet van den Pindus kent men de Flora van Zuid-Europa
nog niet. „Eerst op den 39^ dringt het zachte der zee- en kustlucht
in het binnenland, en nu gaat aUes met rassche schreden voorwaarts.
Nog binnen eene ruimte van twee breedtegraden reikt het Griek-