Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
212 VERTIK. V0R5I DER GRIEKSCUE EILANDEN. § 49.
c. den oostelijken gi'ensmuur van Albanië, die in 't noorden
Bora-dagh, verder zuidelijk Pindus heet.
Yan den Skardus loopt het Rhodope- of Despoto-ge-
bergte zuidwaarts tot aan zee.
De tweede hoofdrigting, van 't westen naar 't oosten, wordt
gevolgd door:
a. den Balkan (d. i. „Woudgebergte") of Hemus, de
grensmuur tusschen Boelgarije en Thracië;
h, de beide ketenen, die, uit den Pindus komende, Thessalië
ten noorden en zuiden insluiten, de noordelijke, het Voloetza-
gebergte, de zuidelijke, \Toeger Othrys, thans zonder gemeen-
schappelijken naam.
Veel beter dan de noordelijke zijn de zuidelijke gebergten of
die van eigenlijk Griekenland bekend. De Pindus, meer onbe-
bouwd wegens gebrek aan bewoning dan wegens zijne natum*, loopt
op gelijken afstand (10—12 mijlen) van de beide zeeën, in de rig-
ting van 't noorden naar 't zuiden, tot aan de middenste versmal-
ling van Griekenland en maakt met den Bora-dagh den scheids-
muur niet alleen vau de wateren, maar ook van de volkeren en
staten (Albanië in 't westen, Thessalië en Macedonië in 't oosten).
Hij zendt drie takken naar het zuidoosten: a. den Othrys, eene
dwarsketen, die de groote vlakte van Thessalië (thans de vlakte
van Larissa) van de kleine van den Spercheüs (vroeger Phthiotis)
scheidt; b, den Oeta, insgelijks eene dwarsketen, waardoor Mid-
den- en Noord-Griekenland gescheiden worden en in 't oosten de
bergengte van Thermopyle vormt; c. den Parnassus, eeu pla-
teauvormig gebergte met op zich zelf staande hooge kegels (daar-
om „veeltoppig").
De voortzettingen van deze bergeu naar 't zuidoosten zijn minder za-
nienhangend; het zijn afzonderlijke bergeilanden, ten deele op het vast-
land (de Helikon, Kitheron, Parnes, Pentelicus, Hymettus), die bij een
hoogeren stand der zee een tweeden krans van Cycladen zouden vormen, ten
deele op de eilanden Eubea, de Cycladen, Creta, waar dit stelsel door
eene dwarsketen wordt afgesloten. Eerst in de Peloponnesus, „de Akropolis
van Hellas," verheffen zich de bergen weder tot eene groote zamengedron-
gen algemeene hoogte. Maar de Peloponnesus zelf is ook een bergeiland
op groote schaal, en oo\ hier heeft de voortzetting plaats tot in zee door
de zeer gescheurde groep der zuidelijker Jonische eilanden. De kern van
dit groote bergeiland is een door hoogere randgebergten omgeven middel-