Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
VEETIKALE VOEM DEE GEIEKSCHE EILAXDEIf § é9. 211
iiaamste schiereüandvonning (de drie schiereilanden, waarin
Chalcidice uitloopt, de Thracische Chersonesus en het schierei-
land, waarop Konstantinopel ligt) kan aanwijzen. In het alge-
meen is het schiereiland-karakter der landvorming nergens op
aarde zoo volkomen en zoo scherp als op het Grieksche schier-
eiland.
Niet minder rijk is de eilandvorming aan de gescheurde
kusten der Adriatische, Jonische en Egeïsche, maar niet zoo aan
die der Zwarte zee. Behalve de grootere: Kandia (Creta) in't
Z. en Negroponte (Eubea) in 't O., vormen deze eilanden groe-
pen, zoo als de Jonische eilanden in 't W., de Cycladen en de
meer afgelegen Sporaden in 't O. De beide laatsten konden
zelfs in den tijd, dat de scheepvaart nog in hare kindsheid
was, de zeebruggen genoemd worden voor het verkeer en de
gedachtewisseling tusschen Azië en Europa. Ook deze omgor-
ding der kusten met eilandgroepen doet aan Schotland
denken, docli de eilanden zijn grooter en beter bebouwd, of-
schoon minder in getal dan de Schotsche.
Ofschoon de orographiache bouw van 't Grieksche schiereiland nog al-
tijd niet genoeg onderzocht is, heeft men toch reeds ingezien, dat tot
hiertoe ten onregte de Balkan of Hemus voor het hoofdgebergte aldaar
is gehouden, daar hij door andere bergen, die men als zijne takken
beschouwde, zoowel in vertikale als horizontale afmetingen overtroffen
wordt.
Vertikale vorm.
De gebergten van dit schiereiland hebben niet, gelijk de
Apennijnen, ééne, maar twee hoofdrigtingen: de eene, even-
Avijdig met de hoofdrigting der Apennijnen , van 't noordwesten
naar 't zuidwesten, de andere van 't W. naar 't O. De eerste
groep maakt de waterscheiding tusschen de Adriatische en Ege-
ische zee, de andere tusschen deze en den Donau.
De eerste wordt gesplitst in:
a. de Dalmatische of Dinarische Alpen;
h. den S kar dus (Tsjar-dagh) waarschijnlijk het hoogste
gedeelte (5000—8000') van het geheele schiereiland;
14*