Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
208 VERGELIJKING D. DRIE ZUID-EUR. SCHIEREIL. ^ 48.
eilanden: het Grieksehe, het Italiaansehe en het Ibe-
rische, die zich allen in de zelfde rigting in de Middelland-
sche zee uitstrekken en door haren vochtigen dampkring afge-
koeld worden. Daar zij digter bij elkander liggen dan die van
Azië, konden zij in eene veel naauwere en voordeeliger gemeen-
schap tot elkander treden dan de andere. Terwijl dus de drie
Aziatische schiereilanden even zoo veel van elkander gescheiden
deelen der aardruimte gebleven zijn, heeft er onder die vau
Europa sedert de eerste tijden der beschaving eene veelvuldige,
wederkeerige aanraking plaats gehad.
Vergelijking der drie Zuid-Europesche schiereilan-
den onder elkander.
AUe drie de schiereilanden naderen steeds meer het tegenover-
liggende werelddeel in de rigting van 't oosten naar 't westen, en
bijna in den zelfden graad als zij zich meer vrij maken van Mid-
den-Europa's kontinent. Verder hebben deze drie leden van Europa
de zuidelijke ligging en ook de temperatuur, die door de heete win-^
den van Afrika verhoogd, maar door koele zeewinden gematigd wordt,
met elkander gemeen; daarom genieten zij tevens de voordeden
der heete en der gematigde luchtstreek. Waar hier geen gebrek is aan
water, brengt het gelukkig klimaat de edelste vruchten van het zuiden
tot rijpheid; zelfs de palm ontbreekt bij geen van drieën. Het Griek-
sehe en het Iberische zijn door hunne ligging, natuurlijke gesteldheid
(ginds de grootste gcscheurdheid in den horizontalen omtrek, hier
de grootste massa-vorm) met de digtst bij hen gelegen aarddeelen
(Azië, Afrika) verwant, terwijl het Italiaansehe in alle. opzigten we-
zenlijk Europeesch is. Maar hoe veel verschil er ook zij in den ho-
rizontalen en vertikalen vorm hunner oppervlakte (een door raudge- •■
bergten omgeven en doorsneden tafelland op het Iberische; een
veel vertakt ketenstelsel op het Italiaansehe; beide vormen naast
elkander op het Grieksehe), toch hebben alle drie iets gemeen in
hunne plastische gedaante: gelukkige afwisseling van berglanden en
goed besproeide dalen, rijkdom aan havens, doch gebrek aan groote
laagvlakten en bevaarbare stroomen. Ten slotte kan nog uit een
historisch oogpunt vermeld worden, dat van allen eene wereldheer-
schappij is uitgegaan, gedeeltelijk van zeer verschillenden aard,
van het Grieksehe cn Italiaansehe zelfs eene dubbele, en wel
uit betrekkelijk kleine ruimten: Macedonië heeft eene staatkun-
dige, Athene eene intcllektuele heerschappij gevoerd; Rome werd