Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iiokiz. ex vem. goedels v. d. plaxtengeoei. § é6. 199
b. De gordel der Europesche graansoorten en noor-
delijke woudboomen van den 64° (betr. 62) tot den 48° omsluit
de Britsche eilanden, Zuid-Skandinavië, Finland en de Noordoost-
Europesche vlakte. Binnen dezen gordel neemt men weder aan-
zienlijke verschillen waar. Het noordelijke deel daarvan bevat al-
leen de donkere, altijd groene naaldboombosschen en eenigen graan-
bouw (haver en gerst), in het midden is de rogge de voornaamste
graansoort en wisselen naald boomen met loofboomen (eiken, beuken,
linden; af; de eerste vindt men vooral in de zandige streken der Tv oord-
Duitsche vlakte eu in eenige bergen, die hiervan hun naam ont-
kenen (Schwarzwald, zwarte woud, Fichtelgebergte,
de laatste hebben in 't zuiden de overhand; de tarwe- en ooftbouw
nemen naar 't zuiden steeds toe. In 't algemeen kunnen de Noord-
Europesche en de Sarmatische vlakte als de korenschuren vau Euro-
pa beschouwd worden.
c. De gordel van den wijnstok, ten zuidm van den 48°,
doch met belangrijke afwijkingen in 't noorden (in diep insnij-
dende dalen noordelijk bijna tot den 51°) en 't zuiden, bevat de
vlakten en dalen van de Midden-Europesche berglanden en het
zuidelijk gedeelte van de Oost-Earopesche vlakte. De bosschen
bestaan hier bijua enkel uit loofboomen, in de zuidelijke deelen ook
uit kastanjeboomcn; onder de graansoorten komt de maïs bij de
tarwe; de noordelijke ooftboomen bereiken hunne grootste volko-
menlieid, op enkele plaatsen groeijeu reeds zuidvruchten en begin-
nen de altijd groene loofboomwouden (olijfboomen). Het naaldhout
komt alleen nog op de bergen voor.
d. De zuidelijke of altijd groene gordel heeft, omdat hij
meestal maar uit kustlanden bestaat, wegens de nabijheid der zee
slechts geringe verschillen in temperatuur. Naast tarwe, maïs,
rijst en wijn krijgen de altijd groene loofwoudeu en edele vruchten
de bovenhand (amandel-, vijgen-, oranjeboomen, enz.), wier wasdom
meer afliangt van de zachtheid des winters, dan van de hooge
temperatuur des zomers. Geheel in 't zuiden komen reeds eukele
vertegenwoordigers voor van den tropischen plantengroei; suiker-
riet, katoen, palmen.
De 4 daarmede overeenkomende hoogtegordels van den
plantengroei zijn:
a. De altijd groene streek of die der olijven; b. de wijn-
streek of de gordel der kastanjeboomcn en eiken; c. de graan-
enbeukenstreek;«?.devoor kuituur ongeschikte streek
of die der bergkruiden. Alleen Zuid-Europa heeft alle 4 stre-