Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
196 watersystemen vax europa. § éö.
want deze kan, ofschoon hij zijn oorsprong in het Duitsche
middengebergte heeft, als een Alpenstroom beschouwd worden,
daar hij van de Alpen ven-eweg het grootste deel van zijn wa-
ter ontvangt.
Het Fransche middengebergte levert aan den oceaan de L o i r e,
de Seine en de aanzienlijkste zijrivieren der (op de Pyreneën
ontspringende) Garonne; het Duitsche middengebergte aan
de Oostzee de Oder, aan de Noordzee de Elbe en Weser;
het Karpathische middengebergte aan de Oostzee den W e i c h-
sel, aan de Zwarte zee den Dniester. Allen vloeijen met
den benedenloop, sommigen (Po, Loire, Seine, Garonne, Weich-
sel) reeds van den middenloop af door het laagland.
Onder de schiereilanden heeft alleen het Iberische hoofd-
stroomen (van 70—120 mijlen stroomlengte) en onder deze
vloeijen er vier: de Duero, Taag, Guadiana en Gua-
dalquivir naar den oceaan, de Ebro naar de Middelland-
sche zee.
Een zeer natuurlijk verschil der stroomen van die beide midden-
punten bestaat in het verval. Terwijl de Oost-Europesche rivieren
geen 1000' boven de zee ontspringen en langzaam en traag daar-
heen sluipen, maar, als zij door den noordelijken of zuidelijken
landrug breken, schietstroomen hebben, die voor de scheepvaart
nadeelig zijn, vormt de loop der Midden-Europesche hoofdstroomen
volkomen terraslanden, waardoor de verscheidenheid der natuur in
Ceutraal-Europa niet weinig vermeerderd wordt; want hun boven-
loop ligt in de hoogere berggewesten, de middenloop meestal in
de lagere deelen van het middengebergte, de benedenloop in het
laagland.
Nog eene andere verscheidenheid heeft men inde mondings-
vorn\en;'deze is bf delta-vorming (zoo als bij de Wolga, den
Donau, den Weichsel, de Po, den Rijn, de Rhone) of liman-vor-
ming, d. i. ondiepe zoetwatergolven (aan de Dwina, den Don, den
Dnieper en Dniester — dus aan de kusten der Noordpoolzee en aan
de noordkust der Zwarte zee),6f haffvorming (de drie haffs aan de
zuidkust der Oostzee) bf de mond verwijdt zich tot eene golf (zoo
als aan de Noordzee, het Kanaal, de Biskaysche zee).
Wanneer men de Kaspische zee (en hare overblijfselen in