Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
tcrwaemixg deb aahde. § 1. 3
en den 23sten September, vallen de zonnestralen loodregt op
den evenaar (zie § 2) en op deze beide dagen heeft voor de
geheele aarde dag- en nachtevening plaats, terwijl op alle an-
dere dagen de lengte van dag en nacht met den afstand van den
evenaar naar de polen toe- of afneemt. Alleen onder den eve-
naar is dag- en nacht steeds even lang; aan de polen daarente-
gen heeft men de sterkste tegenstellingen : een half jaar dag en
even zoo lang nacht. Van den 21sten Maart tot den 23sten
September vallen de zonnestralen loodregt op plaatsen ten noor-
den, en van den 23sten September tot den 21sten Maart op
plaatsen ten zuiden van den evenaar. Den 21sten Junij enden
28sten December verwijderen zich de loodregte zonnestralen het
verste van den aard-evenaar, namelijk 22J/^ graad; dan heeft
men op het eene halfrond den längsten, op het andere den kort-
sten dag. Dan zegt men, dat zich de zon in het „solsti-
tium" bevindt. Van deze verschillende helling der zonnestra-
len hangt verder het verschil in de verwarming van onze pla-
neet af, wier oppervlakte in dit opzigt wordt verdeeld in écne
heete, twee gematigde en twee koude luchtstreken (zonen;
zie over de grenzen § 2). De kleinste verschillen, zoowel in
lengte van dag en nacht, als in aard en duur der j a a r g e t ij-
d en, treft men aan in de heete luchtstreek (over het algemeen
een eeuwige zomer), de grootste in de koude (een zeer korte
zomer volgt op een langen, strengen winter, waarin dikwerf het
kwikzilver bevriest), terwijl in de gematigde luchtstreken de
overgangstijdperken (lente en herfst) de tegenstellingen minder
gevoelig maken. Nogtans bestaat er, wat de verwarming betreft,
een aanmerkelijk verschil tusschen de beide gematigde zonen:
de zuidelijk gematigde is veel kouder dan de noordelijk gema-
tigde, vooral ten gevolge der grootere watermassa en omdat daar
aan gene zijde van den 6 O sten graad het vastland, ten minste liet
bewoonde, ophoudt. De noordelijk gematigde zone bevat in te-
gendeel de gelukkigste en meest beschaafde landen der aarde, en
door hare bewoners is de zuidelijk gematigde luchtstreek on-
derzocht en beheerscht geworden.
1*