Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
HP
190 HOKIZONTALE VORM VAN EUROPA. § 43.
meer water heeft (men vergelijke Rusland, Duitsehland, Frank-
rijk), bevat meer dan yg der geheele oppervlakte (130 000 Q
mijlen); de leden, die zich in den regel met hunne grootste lengte
in de rigting van het noorden naar het zuiden uitstrekken, bij-
na een derde (50 000 Q mijlen), en wel de halfgeseheiden leden
of schiereilanden y^ van het geheel (40 000 Q mijlen),
de geheel gescheiden of de eilanden Y^fy van't geheel (9000
Q] mijlen).
De kustontwikkeling van Europa's vastland(4300 mij-
len, 1 mijl op 39 Q mijlen) is in vergelijking van de andere
werelddeelen verreweg het sterkst uitgedrukt. Hier heeft de
bespoeling van het land door de zee het hoogste punt bereikt
en ziet men de grootste wederkeerige werking tusschen den vloei-
baren en vasten vorm. Nog sterker komt de kustontwikkeling uit,
wanneer men de eilanden met eene kustlengte van 1500 mijlen
er bij rekent; dan overtreft de Europesche kustenomvang den
grooten cirkel op de aarde, den evenaar, en men krijgt zelfs 1 mijl
kust op 31 Q mijlen, bijna het vijfvoud van Afrika's kust-
ontwikkeling.
Zoo is Europa, ofschoon in het midden van het landhalfrond
gelegen, onder alle werelddeelen het toegankelijkste van den
zeekant.
Die lauden, welke de grootste kustontwikkeling hebben, bewijzen
door hunne geschiedenis welke voordeelen zij geeft; zoo geraakte
in dc oudheid Griekenland met zijne rijke schiereilandvorming
tot eeue zekere heerschappij over de Middellandsche zee, even als
in den nieuweren tijd de aan havens eu bogten zoo rijke eilanden-
groep Groot-Brittanje fot de heerschappij over den oceaan.
Maar de invloed dezer overwegende kustvorming, die van 't oosten
naar 't westen afneemt, is door het geheele kontinent gedrongen,
daar hier geene stremmende vormen der breedte of hoogte in den
weg staan (zoo als in Azië), maar integendeel de centraallanden
door talrijke bevaarbare rivieren en in den jongsten tijd door spoor-
wegen aan de voordeelen der maritieme ligging deel nemen en in
verscheidenheid van het kuituurleven niet achterstaan bij de landen
langs den buitenkant, wat in Azië geenszins het geval is.
Bij de algemeene voorregten der horizontale vonning van Europa,