Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
HORIZONTALE VORM VAN EUROPA. § 43. 189
den Oeral getrokken is, om de beschaafde gewesten daarvan
nog bij Europa in te lijven, en wel tot aan de rivier Tobol, en
dan weder westwaarts gaat naar de rivier Oeral, welker loop
zij volgt tot aan de uitwatering in de Kaspische zee. Tusschen
de Kaspische en de Zwarte zee wordt de grens der beide dee-
len der aarde nu eens ten noorden, dan weder ten zuiden van
den Kaukasus genomen.
h. Zeegrenzen van Europa (volgens de kaart na te gaan).
Deze worden algemeen zoodanig aangenomen, dat alle nabu-
rige eilanden, hetzij zij op meer of minder afstand van de
Europesche kusten liggen, zoo als de Ear-Oeër, IJsland, tot
Europa gerekend worden; dat zelfs de Azoren en de Kanari-
sche eilanden door hunne bezitters als tot Europa behoorend
worden beschouwd, zie § 40.
§ 43.
horizontale vokm van europa.
Europa heeft noch in horizontale, noch in vertikale rigting
kolossale natuurvormen, noch groote onafgebroken uitgebreid-
heden, noch groote algemeene land-verheffingen, zoo als Azië,
maar de grootst mogelijke insnijdingen in de massa's is hier
het meest karakteristieke. Geen werelddeel heeft dus een
zoo onregelmatigen randvorm als het onze. Terwijl Afrika
een elliptischen, Azië en Australië een regthoekigen vorm, en
Amerika eene dubbele voorstelling van den driehoekigen
vorm aanbiedt, krijgt men bij Europa eerst na afscheiding
der leden, dus voor het eigenlijke kontinent, een bijna
regthoekigen driehoek, waarvan de regte hoek in 't zuid-
oosten (aan de noordelijke zijde der Kaspische zee) ligt, de
hypotenusa of zeezijde (van de Biskaysche tot aan de Ka-
rische golf) naar 't noordwesten, de beide andere zijden, de
kontinentale en de maritime, naar 't noordoosten en 't zuiden
gerigt zijn. Deze kontinentale stam, die van 't oosten naar 't
westen steeds meer in breedte afneemt, steeds minder land en