Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
182 het laagland van afkika. § 39.
in 't noorden de grassteppen van Biledulgerid, in 't noordoos-
ten en oosten twee rijen oasen aan den voet van het plateau van
Barka en de Libysche bergketen, in 't zuiden het vlakke Soedan.
Tusschen deze groene zoomen aan drie zijden en den Atlanti-
schen oceaan aan de vierde ligt de Saha ra, de groote woes-
tijn van Noord-Afrika, de grootste der aarde eu tevens,
wegens hare ligging in den tropischen gordel, de verschrikke-
lijkste; zij was vroeger waarschijnlijk door zeewater bedekt.
Men stelle zich deze nogtans niet voor als eene onmetelijke,
eentoonige vlakte ; want zjj heeft bergrijen en bergtoppen (min-
stens tot 3000' hoogte). Deze zandoceaan heeft zijne zandgol-
ven, zandstormen en zijne eilanden (de oasen). Het grootste
dezer eilanden, het ronde, door woeste bergen omringde F e z-
zan, deelt de Sahara in twee ongelijke h e 1 f t e u, eeue kleine
o o s t e 1 ij k e, die veel meer afgebroken wordt door eüandvormi-
ge, besproeide en dus vruchtbare, zelfs bergachtige steppen, dan
de nog meer eenvormige westelijke helft, die minder water heeft.
Het gebrek aan water is ia vroegere schilderingen overdreven en te zeer
als algemeen voorgesteld geworden; want groote streken, waarin men ge-
durende verscheidene dagen reizens geen water vindt, wisselen af met
zulke, waar ten minste tijdelijke regenbakken en kunstmatig gegraven
putten zijn (die bij gebrek aan steenen uit kameelbeenderen ziju ge-
metseld), en waar de dadelpalm, (begunstigd door de droogte van den
dampkring en de zoutaardige gesteldheid van den grond) welig tiert.
Onder de bewoners der woestijn, meestal nomaden, onder-
scheidt men 1. de Arabische Bedoeïnen; 2. de Toeareg of
Berbers der woestijn, de schoonste menschensoort in Afrika, be-
hoorende tot het blanke ras, ofschoon hun gelaat door den invloed
van het klimaat donkerbruin is geworden; zij wonen vooral in de
westelijke helft 1), waar zij zich bij de Berbers van Marokko aan-
sluiten en 3) de donker zwarte T i b b o s (in 't oosten van F e z z a n,
aan de zuidelijke zijde van de noordelijke oasenrij). De Arabie-
ren en de Berbers zijn Mohamedauen, de Tibbos gedeeltelijk nog
Heidenen; alle drie staan, op weinige uitzonderingen na, onder on-
afhankelijke, erfelijke hoofden. Verscheidene hoofden der Toeareg
staan onder opperheerschappij van den te Agades residerenden
1) Hunne verspreiding, zie Peterm. Mitth. 185 7.