Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
benedenloop van den nijl. § 37. 175
noordelijke rigting, als een vruchtbaar makend water door
eene enkele (150 mijlen) lange en (3—3 mijlen) breede rots-
kloof tusschen de Libysche en Arabische bergketen
(van bijna gelijke hoogte), die geen van beiden eenigen planten-
groei hebben en den rand vormen van een groot woestijn-plateau.
De westelijke keten (schuin in het dal afdalende) beschermt, als
een platte, woeste dijk, het Nijldal voor het stuifzand uit de
Libysche woestijn; de oostelijke (steü opgaande) neemt de ge-
heele landstreek in tot aan de Eoode zee en leverde in oude
tijden de meest verscTiillende bouwstolïen voor de verbazingwek-
kende Egyptische werken : rozenrood graniet voor de obelis-
ken, kolossen en monolithentempels, zandsteen in verschil-
lende kleuren voor de tempels en paleizen en kalksteen voor
de pyramiden. Alleen het door deze beide ketenen ingesloten
dal, dat naar het noorden zich vermjdt, is vruchtbaar land,
eene lang gerekte oase midden in de woestijn, en heeft zijne
vruchtbaarheid te danken aan de jaarlijksche overstroomingen
van den Nijl.
De Nijl namelijk wast des zomers, ten gevolge der tropische
regenvlagen in zijn boven- (en gedeeltelijk ook nog iu zijn
midden-) loop, langzaam (van het einde van Junij tot het einde
van September) en overstroomt dan bij zijn hoogsten waterstand
(23 ), die tot aan het einde van October voortduurt, het geheele
dal tot aan de insluitende bergketenen, terwijl hij tevens eene rijke
laag slijk achterlaat, waardoor het stroombed jaarlijks hooger wordt
(in 1000 jaren 3—4). Zoo verandert het aanzien van dit merk-
waardig land driemaal in 't jaar: in de lente is het eene dorre,
heete woestijn met gebersten bodem; in deu zomer gelijkt het op
eene zee, waarin de steden en dorpen als eilanden in een archi-
pel uitsteken en waar de gemeenschap tusschen de verschillende
plaatsen onderhouden wordt door smalle dijken of booten; laat in
den herfst veranderen de rijkelijk gedrenkte landen weldra in
weelderige korenvelden. — Ter behoorlijke verdeeling dezer
watermassa, vooral over de meer afgelegen en iets hooger lig-
gende deelen van het dal (waarvan bij gebrek aan regen de vrucht-
baarheid geheel afhankelijk is), en tevens tot gemak voor het bin-
nenlandsch verkeer, werden reeds in de hooge oudheid kunst-
matige meren, zooals van Moeris op de westzijde, gegraven en