Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
172 HET STROOMGEBIED VAN DEN NUL. § 37.
tot hier door), rijk aan vruchtbare landschappen en aanzienlijke
voortbrengselen, werwaarts de weg voor den wereldhandel is ge-
opend door de (1854) van wege de Engelsche regering uitgezon-
den Binoeë- (of Tschadda-) expeditie.
d. De terraslanden van N o or d o o s t-A f ri k a of het
stroomgebied van den Nijl.
De Nijl neemt niet alleen naar zijne belangrijkheid eene eerste
plaats in onder de stroomstelsels van Afrika, maar ook naar
zijne grootte onder de rivieren der aarde (560 mijlen stroom-
ontwikkeling). Hij onderscheidt zich daardoor van de reuzeustroo-
men in Azië en Amerika, dat hij niet uitloopt in den oceaan,
maar, gelijk de grootste Europesche, in eene binnenzee, en dat
hij op beide zijden, van den bovenloop tot aan den mond, om-
zoomd is door woestijnen, die geheel ongeschikt zijn voor den
landbouw. Zijne oeverbewoners hadden dus geen aanleiding noch
om van de rivier- tot de zeevaart over te gaan, noch om zich
west- of oostwaarts buiten hun eng dal te wagen; doch op de door
de natuur zoo beperkte ruimte ontwikkelden zij eene geheel eigen-
aardige kuituur.
aa. De bovenloop van den Nijl.
De N ij 1 ontstaat uit de zamenvloeijing van twee, door tal-
rijke zijrivieren versterkte hoofdbronnen, waarvan de westelijke,
grootere, de Witte Nijl (Bahar el Ahiad), de oostelijke, klei-
nere, de Blaauwe Nijl (Bahar el Azrek) genoemd wordt.
Over beider oorsprong hebben de nasporingen van den jongsten
tijd tot de gewenschte uitkomsten geleid (bl. 157). Hunne ver-
eeniging (bij Khartoem) heeft bijna op de noordelijke grens van
den tropischen regen plaats.
Duitsche zendelingen, die van de oostkust (de kust van Zanguebar) uit
in het binnenland doordrongen, meenden te mogen aannemen, dat de
bronnen van den Witten Nijl zich bevinden in bet bijna onder
den evenaar gelegen sneeuwgebergte (Kilimandscharo, zie bl. 154). — Ook
over de bronnen van den Blaauwen Nijl, die eerst veel meer naar het
noorden (12° noorder breedte) uit het hoogland van Abyssinië te voor-
schijn komt, heeft men verschillende meeningen gehoord. Tegenover de
algemeen aangenomen meening, dat de Blaauwe Nijl door het zuidelijk
gedeelte van het (met groene eilanden bezaaide) Tsana-meer stroomde en
met een slangenloop zich naar het westen, dan naar het noordwesten wendde,
werd de meening gesteld, dat de beschreven stroom tot aan zijne rigting