Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
156 KLIMAAT EN liEWEKKT. NAT. VAN AFKIKA.
Afrika (met eene gemiddelde temperatuur van 39 lig-
gen niet onder den evenaar.
Behalve die deelen, welke zieh tot in eene der beide gematigde
luchtstreken uitstrekken, kent Afrika maar twee jaargetijden; een
langereu, droegen en een korteren regentijd. De laatste duurt voor
elke plaats 2—3 maanden en valt ten noorden van den evenaar iu
den tijd tusschen üetoberen Mei; gedurende de overige 9 maanden
is een nachtelijke dauw het eenige wat uit het onbewolkte lucht-
ruim nederslaat.
Die regentijd is in het tropische gedeelte van het vastland
de hoofdvoorwaarde voor de ontwikkeling van den planten-
groei, die onmiddellijk daarna zich even zoo snel als prachtig
vertoont en tevens de wilde dieren uit hunne schuilhoeken naar
de meer bebouwde streken lokt. De plantenwereld heeft in't alge-
meen het tropische karakter, doch minder verbazende vormen
dan in Amerika en /uid-Azic; iu het bijzonder heeft men de
meest verschillende soorten van palmen, bananen, reusachtige
slingerplanten, in welker ondoordringbaar weefsel talrijke vogels
en apen huisvesten, de gewone voedingsplanten van het zuiden
(rijst, maïs, suikerriet, koffij), verscheidene kruidensoorten, boom-
wol, enz. De weelderigste plantengroei wordt in de besproeide
lage landen, vooral in het Abyssinische Alpenland en aan de
kustzoomen van het groote zuidelijke hoogland, door de tropi-
sche warmte van den zomer veroorzaakt; maar deze kustlanden
zijn door de besmettelijke dampen der moeraslucht niet alleen
ontoegankelijk voor Europesche kolonisten, maar zelfs gevaar-
lijk voor de inboorlingen en daarom het verblijf van vele ver-
scheurende diersoorten, die het hoogland wegens gebrek aan
water en bosschen vermijden. De ririeren worden door nijlpaar-
den bewoond en minder boschi'ijke streken dienen tot weide-
plaatsen voor kudden van olifanten. In 't algemeen onderscheidt
zich de dierenwereld minder door verscheidenheid — die
men over het geheel bij Afrika mist — dan door woestheid en
kracht. Eigenlijk zijn het de zelfde reusachtige vormen, als die
in Azië leven; maar de giratfe, de zebra, e. m. a. schijnen
hier te huis te behooren. Aan huisdieren (schapen, ezels, muil-