Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
144 STROOMSTELS. EN BEVOLK. VAN KLEIN-AZië. § 27.
met verminderde hevigheid, hier nog steeds voortwerkt 1).
De stroomstelsels van Klein-Azië staan, ten gevolge
der betrekkelijk geringe uitgebreidheid en der zeer verschil-
lende vormen in de oppervlakte, wat ontwikkeling van hun
loop aangaat, veel achter bij de rivieren van den eersten en
tweeden rang; slechts weinige kunnen over kleine lengten be-
varen worden. Het zijn deels binnenwateren, die, evenals
op de Iransche hoogvlakte, op de binnenzijde A'an de randge-
bergten ontstaan, door de steppen van het centrale hoogland
loopen en in zoutmeren of rietmoerassen vallen; deels rivie-
ren, die naar zee stroomen en dan nog wel van drieër-
lei soort en tot het gebied van drie zeeën behoorende: de noor-
delijke breken door de breede, terrasvormige landen naar de
Zwarte zee; de zuidelijke vallen meest als kleine kustri\ieren
in de Middellandsche zee; de westelijke loopendoor evenwijdige
lengtedalen, die zij wegens haar slangenloop naar de Egeïsche
zee in de vruchtbaarste kultuurlanden veranderen.
De aanzienlijkste stroom van Klein-Azië, de Halys of Kisil-
Irmak (d. i. roode rivier, omdat zij door den in 't noorden ver-
spreiden rooden zandsteen purperkleurig wordt), breekt eerst na
een grooten, westwaarts gekromden boog door het noordelijk rand-
gebergte en bereikt dan de Zwarte zee, die niet ver vau zijne bron-
nen ligt. Hierdoor krijgt hij eene stroomontwikkeling (130 mijlen)
ongeveer gelijk staande met die van den Weichsel; maar omdat
de grond, waardoor hij met zijne zijrivieren stroomt, niet rijk ge-
noeg in bronnen is, kan hij niet eens in den benedenloop bevaren
worden.
De bevolking van het schiereiland wordt bij benadering
op 5 mill. geschat; het sterkst is zij (600—700 op 1 | | mijl)
in westelijk Klein-Azië, ten minste als men de eilanden mede-
rekent; het zwakst op den zuidelijken rand (250—300 op 1 Q
mijl) en in den Antitaurus.
Topographie.
Op de centrale hoogvlakte liggen de middenpunten van
stedenbevolking (met 30000—50000 inwoners) gedeeltelijk in ke-
1) Kitter's Erdkunde, XVIII, bl. 46 .