Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
134 BE DOODB ZEE. § 27.
aardbevingen in puinhoopen veranderd; de oostelijke zijde is eene
door roofzieke Bedoeïnen bewoonde woestenij; de eens zoo be-
volkte westelijke zijde is eene bijna onbewoonde woestijn gewor-
den. Zoo was ook eens de afsluiting van het Jordaandal in 't zuid-
westen of de oase van Jericho, die door den doop van Christus
eene historische bekendheid verkregen heeft, wegens hare balsem-
tuinen en palmbosschen, wegens hare vestingen en paleizen be-
roemd; maar sedert de Arabische en Turksche heerschappij ont-
volkt, is zij tegenwoordig eene braak liggende vruchtbare plaats in
de woestijn.
De Doode zee (1200"), (1236) onder den spiegel der Middel-
laudsehe zee gelegen (dus de laagste zigtbare inzinking der aard-
korst) bestaat uit twee zeer verschillende deelen: een groot, noor-
delijk (1000'), diep bekken, en een kleiner, zuidelijk, zeer ondiep
(hoogstens 16'), die door een vlak schiereiland gescheiden worden
en door een smal, zeer ondiep kanaal verbonden zijn. De sterke
verdamping van het buitengewoon zoute water veroorzaakt, dat
aOes, wat in de nabijheid komt, met eene zontkorst bedekt wordt-
Op de oppervlakte van dit water, dat wegens het zoutgehalte eene
groote specifieke zwaarte heeft, drijven somtijds, vooral na aard-
bevingen of sterken golfslag, zware asphaltblokken, die van den
bodem of vau de beide oevers zijn losgeraakt.
2. Het Oost-Jordaanland Perea, d. i. het land aan gene
zijde) is volstrekt niet, zoo als men niet lang geleden nog ge-
loofde, eene ledige woestijn, maar bevat nog vele overblijfselen
van talrijke, tegenwoordig gedeeltelijk namelooze plaatsen en
prachtige gebouwen, die volgens de aldaar gevonden Grieksehe
en Latijnsche opschriften afkomstig zijn uit de tijden der Eo-
meinsche heerschappij (van Claudius tot Constantijn den Grooten).
3. Het West-Jordaanlaud bestaat, zoo als mj reeds bij
de algemeene beschrijving van het Syrische land zagen (zie bl.
131), uit a. een smallen kust rand in 't westen, die door het
in zee vooruitspringende gebergte Kar mei in twee ongelijke
helften, eene langere, zuidelijke, vruchtbare, maar zonder havens,
en eene kleinere, noordelijke, rijk aan bogten (het karakter vau
Phenicië naderende), verdeeld wordt, eu h. een zich naar het
oosten (2000—3000') terrasvormig verhelfenden bergrug met
grooter betrekkelijke (boven het midden- en beneden-Jordaan-