Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
AKADlë. § 26. 121
kleine en middenste liorde), alsmede een gedeelte der oostelijke
(de groote horde) onder Russische heerschappij staan, terwijl een
ander gedeelte der groote horde binnen de grenzen van het Chi-
nesche rijk omzwerft.
§ 26.
DE SCHIEREILANDEN ARABië EN SINAÏ.
I. AKABië.
Arabië dient tot overgang van Azië naar Afrika en treedt op als
eene herhaling van Afrika, maar in kleinere afmetingen. De natuur
van den grond, zoo arm wegens het gebrek aan groote stroomdalen
(zoo als in Afrika), lokte geen volkplanters, geen veroveraars in het
bovendien door woestijnen zoowel als van den zeekant zoo moeijelijk
toegankelijke land; veeleer breidden zich de inboorlingen buiten den
geboortegrond uit, en terwijl zij de omvangrijkste wereldheerschap-
pij grondvestten, deelden zij tevens aan de overwonnenen hunne
godsdienst, wetgeving, taal, schrift, poëzy en handel mede: aan het
oosten tot aan de Maleijers-wereld, aan het westen tot aan den
Atlantischen oceaan en niet alleen in Afrika, maar ook in Europa
(Spanje). Naast deze hooge beschaving, welker uitgangs- en midden-
punt de westkust was, heeft zich in het binnenste van het schier-
eiland het aartsvaderlijke Bedoeïnenleven uit de tijden van Abra-
ham tot op onze dagen in den oorspronkelijken vorm staande gehou-
den. In het algemeen is het behoud van oude zeden, voorstellingeu,
talen en gebruiken eene eigenaardigheid der Oostersche volkeren,
doch vooral van de Arabieren op hun afgezonderd schiereiland.
Het Arabische schiereiland (bijna van Europa)
vormt (naast Dekan) het tweede op zich zelf staande gebergte-
land van j\zië in het algemeen en van Zuid-Azië in het bijzon-
der. Van het Voor-Aziatische hoogland wordt het gescheiden
door het woeste Syrisch-Arabische laagland, gelijk Dekan van
het Achter-Aziatische hoogland door het \Tuchtbare laagland van
Hindostan. Beiden zijn van drie kanten door de zee omgeven,
maar hebben eene verschillende gedaante; het eene is met de
grootste, het andere met de kleinste breedte naar het zuiden
gekeerd. Bij beiden is de westelijke helling steil en laat slechts
een smatlen kustgrond over, doch is het best geschikt voor
landbouw en havenplaatsen; de Ijreede, zuidelijke rand van Ara-