Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
120 TURKESTAN. § 25.
brongebied der Amoe-zijriviereu) hb. het Khanaat van Koen-
do etz, waarin (eerst in 1833) een roofzuchtige Usbekisehe hoofd-
man eene heerschappij grondvestte, die stroomafwaarts tot aan Balkh
en in 't zuiden tot aan den Hindoe-Koe zich uitstrekt.
Het laagland van Turkestan of het Boekharische,
de aanzienlijkste en grootste inzinking der aardoppervlakte, tus-
schen Noord- en Zuid-Azië, tusschen de hooglanden van Achter-
en Voor-Azië, maakt den overgangsvorm uit van Azië naar
Europa en vernaauwt zich tusschen den zuidelijken voet van
den Oeral en het noordelijk gedeelte der Kaspische zee (welker
spiegel 80' onder den oceaan ligt) als het ware tot de groote
poort der volksverhuizingen van het oosten naar het westen.
Zulk eene centrale stelling maakte dit arme steppenland reeds
van de oudheid af deels tot een strijdperk voor de beschaafde vol-
keren uit het zuiden (Iraniërs) en westen (Macedoniërs, Arabieren)
met de nomadische barbaren uit het noorden (Scythen, Massageten)
en oosten (Mongolen, Turken), deels tot een handelsweg tusschen
Midden- en zelfs Oost-Azië aan de eene en Oost-Europa aan de
andere zijde, en nog tegenwoordig komen hier de staatkundige en
de handels-belangen van Chinezen, Engelschen en Russen met el-
kander in aanraking.
Een groot gedeelte van Toeran is nog een naakte rots- of kiezel-
grond met stuifzand bedekt, zonder water of vruchtbare aardlagen,
gelijk een droog geworden bodem der zee, derhalve, met uitzonde-
ring der weinige oasen, alleen geschikt voor het nomadenleven.
Deze armoede des lands dwong steeds de bewoners (Scythen, Tur-
ken, Kirgizen, enz,) om de grenzen te overschrijden en invallen te
doen in de naburige, door de natuur meer begunstigde, beschaaf-
de lauden.
Tegenwoordig zijn in het laagland ook twee Khanaten: aa,
dat van Boekhara en Balkh, op beide oevers van den Amoe
(Gihon), met de steden Boekhara (100000 inwoners) en de zo-
merresidentie Samarkand in het eerste en Balkh in het tweede;
dat van Khiwa op de westelijke zijde van deu Beneden-Amoe
met de stad van den zelfden naam. Op de landengte tusschen de
Kaspische zee en het meer Aral (de hoogvlakte vau den Oest-oert)
zwerft een nomadisch, oorlogzuchtig volk, de Turkomannen of
Troechmenen. In het noordwesten heeft men de steppen der
Kirgizen (Kirgis-Kaizak), waarvan de westelijke stammen (de