Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
IXWON. EN GETTIGTIGSTE PEOV. DES BUKS. § 24. 117
cn der Engelschen naar 't noorden, en aldus hunne botsing er door
wordt voorgekomen.
Het Perzische rijk, tusschen de Kaspische zee en de Perzi-
sche golf gelegen, beslaat eene oppervlakte van meer dan twee-
maal de grootte van Duitschland (20 000 Q mijlen), daar het
behalve westelijk Iran nog eenige deelen van het Armenische
hoogland bevat. Op deze oppervlakte wonen thans niet meer
dan 10 mill, menschen (nog geen 400 op 1 Q mijl), want
slechts enkele provinciën verheugen zich in eene bijzondere
vruchtbaarheid, terwijl andere, vooral in het oosten des rijks,
groote woestijnen of zoutsteppen bevatten. Bij het gebrek aau
rivieren, ja zelfs aan beken en bronnen, alsmede aan toereiken-
den regen zou de bebouwing veel minder zijn, zoo er geene kunst-
matige besproeijing (door middel van eene reeks met elkander
gemeenschap hebbende putten) was aangebragt. Maar ook de
gedurige oorlogen en het slechte bestuur hebben inderdaad veel
bijgedragen tot de vermindering der bevolking en de ver^voesting
des lands.
Met uitzondering van de weinige Parsen en '/a mill. Christenen,
zijn de-inwoners Mohamedancn en wel meestal (7Vi millioen)
Schiïtcn, die het klein getal Sunniten (l'/j mill.) bestrijden cn ver-
volgen. Dc eigenlijke kern der bevolking bestaat uit de stammen van
herders en krijgslieden (Ihlats), wier hoofden of Khans den
Perzischen erfelijkeu adel uitmaken; zij leven zeer onafhankelijk,
cn veranderen volgens de gewoonte der nomaden hunne woonplaat-
sen (in legerplaatsen onder tenten) met liet jaargetijde, zoodat zij
steeds iu een gezond en zacht klimaat zijn. Ook zij stellen, even
als de Beloedsjen, hun roem in stoute en verre rooftogten, waar-
van de naburige Russische en Tmksche provinciën niet zelden te
lijden hebben. Den „S eh a c h" erkennen zij slechts in naam als hun
opperhoofd en zijne volkomen absolute magt (die iu zijn naam dc
Vezier of eerste minister uitoefent) strekt zich dus enkel over de
Perzen uit, die vaste woonplaatsen hebben (Tadschiks). Met
eene even onbeperkte magt als deze het hoofdbestuur van het ge-
heele rijk heeft, regeren de landvoogden (Beglcr-Bcp) over de
afzonderlijke provinciën; zij zijn alleen verantwoordelijk voor eene
zekere opbrengst der belastingen en de handhaving der openbare
rust.