Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
92 DE INDISCHE ARCHIPEL. § 23.
uitbreiding van Azië naar de zeezijde, noch eene reeks verbrok-
kelde leden van het naburige vastland; want hoe veelvuldig ook
gebroken, vormt hij toch eene geographisch afgeslotene, op zich
zelf staande, hoogst merkwaardige eilanden-wereld. Hij is tevens
een tussehenpunt voor het verkeer met het naburige kontinent
(Achter-Indië, waarvan hij enkel door eene smalle zeeëngte ge-
scheiden is, China en Voor-Indië, dat wel verder af ligt, doch ter
zee met regelmatige winden gemakkelijk kan bereikt worden). Zijne
ligging onder den evenaar, de inwerking van den loodregten zon-
nestraal, de verhoogde temperatuur (gemiddeld 80^ Fahrenheit)
door de inwendige aardwarmte (men telt er 150 vulkanen), de
vochtigheid der lucht, vau den zeekant aangevoerd — dit alles
doet hem de heerlijkste voordeelen van den heeten gordel ge-
nieten.
Vele straten, waarin men sterke stroomingen aantreft, schei-
den dezen Archipel, die tot de meest vulkanische streken der
aarde behoort, in 6 groepen van groote en kleine eUanden :
1. Sumatra; 2. Java; S.Borneo; 4. C eleb e s, elk
met de omliggende eilandjes; 5. De kleine Soenda-eilan-
den en 6. de Molukken. De gedaante der eilanden is bij
de meesten langwerpig, bij enkelen massief en bij anderen zeer
ingesneden, zoodat zij eene groote verscheidenheid van vorm
aanbieden. In den zuid- en westrand hebben zich bij de vorming
van het land vooral neptunische krachten doen gelden ; in het
oosten daarentegen schijnen vulkanische krachten te hebben me-
degewerkt. Nogtans speelt het zand- en kalksteengebergte geen
kleine rol (Sumatra, Borneo) en doet de koraalvorming zich
menigvuldig voor. Dit, vereenigd met den alluvialen aanwas,
brengt soms landen aan elkander, gelijk blijkt uit den berg
Djapara, die vroeger een eiland was.
Of de bergen, die door hunne rigting meestal den vorm
der eilanden bepalen, hier eene aaneengeschakelde reeks
vormen, is wegens onze geringe geologische kennis van den
Archipel niet wel te bepalen. Men schat de verheffing op
Sumatra (piek van Indrapoera) op 11 500', op Java (Smeroe)
11 480', op Lombok (Piek) 11 400', op Borneo (Kinibaloe)
6000—7000'. Doch nergens strekken zij zich uit tot in