Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
90 HET EILAXD CEYLON. § 22.
vooral na de heerschappij der Maratten. De voornaamste stad in het
biimenland is een tweede Hyderabad (200000 inwoners).
c. De oostkust of de zandige kust van Koromandel, eeue
der gevaarlijkste en uiterst schaars met havens bedeeld (zie § 7, 3),
kon bij haar gloeijend en ongezond klimaat en wegens het gebrek
aan eigenaardige voortbrengselen nooit van zoo veel beteekenis
worden, als aan de kust van Malabar door haar tropischen plan-
tengroei ten deel viel. En toch was zij door hare ligging en deu
aard van de Bengaalsehe golf voor het handelsverkeer met Achter-
Indië, den Indischen archipel, Ceylon en het land van den Gan-
ges van gewigt. Om die reden ontstonden er dau ook onderschei-
dene handelsplaatsen, zoo als Masoelipatnam, Madras
270 000 inwoners?), de hoofdzetel van den Indischen handel in paar-
len en edelgesteenten en de Fransche nederzetting Pondichery
(25—30000 inwoners?).
D. Het eiland Ceylon (1151 □ mijlen) wordt van het vast-
land gescheiden door eene gevaarlijke straat, vol klippen en zand-
banken, waarop de zeestroomingen, door de moessons derwaarts
gedreven, in geweldige brandingen breken en die (vooral de zoo-
genaamde Adamsbrug) den doortogt voor grootere schepen onmo-
gelijk maken. Daarom moeten zij, wanneer ze veilig willen ziju, op
een verren omweg tot aan den evenaar, en nog verder zelfs, zeilen.
Het grootste gedeelte vau het binnenland bestaat uit eene hoogst
scliilderachtige, rijk besproeide en vruchtbare bergstreek met wou-
den van reusachtige boomen (kokos- en andere palmen, broodboo-
meu, bauanen, Indische vijgenboomen, naast den katoeustruik de
zware katoenboom); Ceylon is het kruideneiland bij uitnemendheid,
en de echte kaueelboom was tot voor weinig jaren hier alleen in-
hecnisch. Tevens is het eiland een lustoord voor de meest verschil-
lende dierenwereld „van de fladderende papegaaijen en schitterende
pagodenvogels, de springende apentroepen, de loerende luipaarden,
de rondloopeude buffels, dc snelle antilopen en de stampende olifan-
ten tot aan de zwermende lichtkevers, kwakkende kikvorschen,
schrille krekels en kronkelende slangen." De grond bevat ijzer in
overvloed, een buitengewonen rijkdom en eene groote verscheidenheid
van edelgesteenten, terwijl de zee de kostbare pareloesters en groote
zeeschelpen oplevert (tot vaatwerk, insti-umeuten, sieraden dienende)
eu liet zuiverste zout aan de oevers afzet. Daarom heeft meu het
eiland de „kroon der Indische landen" genoemd, ja hier zelfs het
paradijs gezocht. Het is ecu der hoofdzetels vau het Boedhaïsmus
en wordt door de Boedhaistische volkeren vau Achter-Indië voor