Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
HINDOSTAN. § 22. 87
laja tussciieu de vrije staten Kipal en Boetan (zie bl. 91), ten noord-
oosten (aan de zijde van Tibet) begrensd door den Kindsehind-
joenga, wist zieh lang te vrijwaren voor afhankelijkheid van de
Engelsche regering, maar in 1850 werd het zuidelijk gedeelte door
de Britten genomen, en het overige (78 □ mijlen) is in den jongsten
tijd ook bij het Britsche rijk ingelijfd geworden 1).
Assam in de oostelijke groep van den Himalaja, op beide
oevers vau den Brahmapoetra, is grootendeels bezet met on-
doordringbare bamboeswouden.
B. Hindostan bestaat uit drie deelen: een westelijk, een
middenste en een oostelijk.
a. Westelijk Hindostan of het gebied van den Indus. Het
gebied van den Boveu-lndus is een zeer hoog gelegen land (meer
dan 10 000') met lange en strenge winters, korte eu dikwerf afge-
broken zomers, waar de veeteelt het hoofdbedrijf is; de staart der
Tibetaansche koe is een handelsartikel als vliegenwaaijer voor ko-
ningen, de shawl-geit levert de üjnste wol, het muskusdier het ge-
liefkoosde reukwerk. Verder naar beneden is het oeverland van den
Indus de zetel van een landbouwend volk. De Indus-delta, be-
ginnende boven de tegenwoordige hoofdstad Hyderabad, is veel
minder door de natuur begunstigd; de zilte vloed der zee over-
stroomt de vlakke kust eu het land heeft gebrek aan zoet water;
slechts een klein gedeelte is vruchtbaar rijstland; uit dien hoofde
is de bevolking ook weinig talrijk en treft men geen belangrijke
steden in dit mondingsland (Sind) van een grooten stroom aan.
Van meer belang dan de gebieden aan den benedenstroom is in
de geschiedenis het vijfstroomenland of de Pen gab, tus-
schen den Midden-Indus in 't westen en den Satadroe in 't oosten,
van de lagere voorketenen van den Himalaja in 't noorden tot aan
de zamenvloeijing der (in elkander uitloopende) zijrivieren met den
hoofdstroom. „Dit land biedt aan het oog de grootste afwisse-
ling, van de rijkste bebouwing af tot aan de zaudigste woestijn en
tot de wildste, met gras en struiken bedekte prairiën." De noorde-
lijke streken, vruchtbaar gemaakt door eene menigte van den Hima-
laja stroomende wateren, missen wel het sieraad der boomen, maar
geven in elk jaar twee oogsten en zijn het vaderland van een krach-
tig, nijver landvolk. Hier loopt over Lahor e (95 000 inwoners) de
groote handelsweg uit Kaboelistan naar de Indische hoofdsteden aan
1) Zie Petermann's Mitth. 1861, bl. 4.