Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers,
Auteur: Pütz, W.; Jurrius, J.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, ca. 1860 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-935
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201752
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
84 BEVOLKING VAN VOOE-INDië. § 22.
ontelbare wateraderen allen in twee hoofdstroomen, den Indus en
den Ganges, bijeenkomen, die uit huune digt bij elkander gelegen
bronnen in eene steeds meer uiteenloopende rigting hun rijken
waterschat naar twee tegenovergestelde deelen der zee voeren, heeft
het tafelland van het zuidelijk schiereiland eene menigte kleinere,
maar op zich zelf in zee uitloopende rivieren (zoo als de Ner-
boedda), die met de afnemende breedte van het schiereiland naar
het zuiden steeds kleinere kustrivieren worden. Alleen de noor-
delijkste stroomen naar het westen; de loop der overigen wordt
daardoor zoo lang mogelijk, dat zij op de binnenste oostelijke
helling der westelijke Ghatta ontspringen en dan met vele kron-
kelingen door het tafelland vloeijen, voordat zij aan den oostelij-
ken rand langs steile hellingen vallen en zich over de vlakke kust
van Koromandel naar de zee wenden.
Bevolking.
Welke verscheidenheden ook bij eene bevolking van 185 mill,
(in Midden-Hindostan ongeveer 9000 op 1 Q mijl) mogen
voorkomen, ziet men toch heden nog, even als voor drie duizend
jaren, behalve de overblijfselen der oorspronkelijke bewoners,
hoofdzakelijk twee groote volksstammen in Indië: den A r i-
schen, die het eigenlijke kultuurland van Indië, het noor-
den van het geheele land, van den Himalaja tot aan de Vind-
hia-keten, het eigenlijke Bengalen alleen uitgezonderd, heeft in-
genomen, en den Dekanschen stam, ten zuiden van den
eersten.
De Arische Indiërs (Hindoes) maken het uiterste lid uit van
den grooten Indo-Germaansehen volksstam ten oosten, en behoo-
ren, gelijk deze over het algemeen, tot het Kaukasische ras; hunne
donkere huidkleur is te verklaren door den invloed van het kli-
maat; zij spreken talen, die haren grond vinden in het Sanskriet
of hiermede verwant zijn. Ook de Indiërs van Dekan dragen den
Kaukasischen stempel; hunne huidkleur is nog donkerder dan van
de Ariërs, maar hunne talen behooren allen tot eene van het Sans-
kriet zeer verschillende familie, welker meest beschaafde tak het
Tamil genoemd wordt.
Op beide zijden van het Vindhia-gebergte vindt men nog overblijfse-
len van de oorspronkelijke bevolking, die het voorkomen heb-
ben van een afzonderlijk ras en, zonder negers te zijn, dezen toch nabij